Thumbnail lange bespreking 2 deep secrets

Deep Secrets: Boys’ Friendships And The Crisis Of Connection - Niobe Way

Niobe Way
Deep Secrets: Boys’ Friendships And The Crisis Of Connection
Cambridge, Massachussets: Harvard University Press, 2013. 326 p.

In Deep Secrets trekt de internationaal bekroonde ontwikkelingspsycholoog Niobe Way conclusies uit meer dan twintig jaar onderzoek naar jongens, mannelijkheid en vriendschap. Het boek onthult een schrijnende discrepantie tussen de maatschappelijke constructie van boyhood - zowel in beeldvorming als in onderzoek - en de geleefde ervaringen van jongens, die veel meer tederheid kennen dan we doorgaans denken.

Twintig jaar longitudinaal onderzoek, honderden jongens

Voor haar onderzoek naar het welzijn en de relaties van jongens spraken Niobe Way en haar onderzoeksteam meerdere keren met dezelfde honderden Amerikaanse jongens. De jongens die geïnterviewd werden, zijn van diverse socio-economische achtergronden en etniciteiten, maar voornamelijk van etnische en raciale minderheden in achtergestelde of arbeidersgezinnen in een stedelijke context in het noordoosten van de Verenigde Staten. Way verantwoordt die keuze omdat deze groep een groeiend aandeel vormt van de minderjarige bevolking in de VS, maar ook omdat zij structureel onderbelicht blijft in onderzoek naar jongens, vriendschap en menselijke ontwikkeling (als we studies naar geweld en gangs buiten beschouwing laten, aldus Way).

De data waarop Deep Secrets steunt, zijn bijzonder rijk en geven een breed en genuanceerd beeld van jongens in de Verenigde Staten. Veel van de conclusies kunnen daardoor ook indicatief zijn voor jongens in gelijkaardige culturele en economische contexten. Deep Secrets veroorzaakte wereldwijd een golf van commotie: hebben we jongens tekort gedaan door hen beperkende genderstereotypen op te dringen en hun menselijke behoeften aan intimiteit en verbinding te ontkennen?

Het boek verkent zowel de overeenkomsten in de verhalen van jongens als de verschillen, die vaak samenhangen met identiteitsaspecten of context. Way komt tot twee centrale conclusies, die ook de structuur van het boek vormen:

  1. Jongens willen én hebben, zeker in vroege en midden adolescentie, emotioneel intieme vriendschappen met andere jongens. Het delen van geheimen en gevoelens is voor hen het belangrijkste criterium om iemand als een hechte vriend te beschouwen. Dat vormt de kern van hun vriendschap. Ook leggen jongens opvallend vaak zelf het verband tussen hun mentale welzijn en het hebben van een vriend met wie ze over emoties kunnen praten. Hierover gaan hoofdstukken 3 t/m 5 in deel I.

  2. Zodra jongens ouder worden (leeftijd 15-16 jaar), groeit het wantrouwen tegenover andere jongens. Ze zijn minder bereid om emotioneel intieme vriendschappen aan te gaan en te onderhouden, al blijven ze verlangen naar zulke vriendschappen. Tegelijk gaat hun mentale gezondheid achteruit, wat zich onder meer uit in de sterke stijging van zelfmoordcijfers bij jongens in de late adolescentie. Hierover gaan hoofdstukken 6 t/m 8 in deel II.

Het tweede hoofdstuk brengt bestaand onderzoek over jongens, vriendschap en mannelijkheid helder in kaart en bespreekt zowel de overkoepelende conclusies als de tekortkomingen. Ways onderzoek vult een belangrijke lacune, omdat het inzet op kwalitatieve methodes zoals diepte-interviews, in tegenstelling tot louter surveys. Daardoor ontstaat meer zicht op hoe context en cultuur vriendschappen vormgeven. Daarnaast wijkt Way af van het dominante canon doordat zij jongens niet enkel als passieve ontvangers van cultuur ziet, maar ook als autonome actoren die zich in het dagelijks leven verzetten tegen beperkende gendernormen.

Liefde, emotionele steun en intimiteit in vroege en midden adolescentie

De grote take-away van Ways onderzoek is dat vriendschap het epicentrum vormt van de leefwereld van jonge adolescenten. Ook wanneer vragen niet over vrienden gaan - bijvoorbeeld over school of hobby’s - komen ze spontaan ter sprake. Jongens van 12 à 13 jaar spreken met veel affectie over hun vrienden en gebruiken kwetsbare taal om hun vriendschappen te beschrijven. Ze koppelen intimiteit vooral aan het delen van geheimen, en de kwaliteit van hun vriendschap aan de emotionele steun die ze eruit halen.

Tegelijk zijn jongens zich al bewust van rigide mannelijkheidsnormen. Ze ervaren spanning tussen emotionele authenticiteit en openheid enerzijds, en de zogenaamde boy code anderzijds. Uit interviews blijkt dat jongens - soms bewust, soms onbewust - gekwetstheid vaak maskeren door middel van woede, een emotie die sociaal wel wordt toegestaan.

Hun emotionele openheid hangt volgens Way samen met verschillende factoren: een goede (emotionele) relatie met ouders (vooral met de moeder), sociale dynamieken op school en bepaalde identiteitsaspecten. Zo worden zwarte jongens vaker als ‘hypermasculien’ gezien dan jongens van Aziatische komaf. Daardoor ervaren die laatsten meer druk om hun mannelijkheid te bewijzen, terwijl zwarte jongens soms net meer ruimte hebben om normen te doorbreken zonder reputatieschade. Ook conventioneel knap, sportief, grappig of groot zijn, fungeren als beschermende factoren: ze geven jongens meer speelruimte om zich emotioneel te uiten.

Opvallend is bovendien dat jongens in deze ontwikkelingsfase - tegen het genderstereotype in - gevoelige onderwerpen of kwetsbaarheden liever bespreken met andere jongens dan met meisjes. Way speculeert dat dit samenhangt met onzekerheden rond hun veranderende lichaam en met negatieve beeldvorming over meisjes.

In latere adolescentie draait deze voorkeur om: dan stellen jongens zich moeilijker open tegenover mannelijke leeftijdsgenoten.

Verlies, wantrouwen en verlangen in late adolescentie

Naarmate jongens ouder worden, groeit de drang om zich als volwassen, en dus als man, te profileren. Way merkt op dat onze westerse cultuur zowel volwassenheid als mannelijkheid gelijkstelt met zelfstandigheid, zelfredzaamheid en emotionele geslotenheid. Daarmee wordt volwassen worden - zeker als man - lijnrecht tegenover relaties, wederkerigheid en zorg geplaatst. De emotionele kwetsbaarheid die nodig is om intieme vriendschappen aan te gaan en te onderhouden wordt zo bijzonder moeilijk gemaakt. Jongens van 16 à 17 jaar worden wantrouwiger tegenover hun mannelijke leeftijdsgenoten, aan wie zij zich spiegelen en met wie zij zich vergelijken. Ook wordt de mening van leeftijdsgenoten steeds belangrijker, waardoor jongens zich steeds meer aanpassen aan sociale druk en normen.

Way gaat uitgebreid in op het verband tussen normatieve mannelijkheid, heteronormativiteit en homofobie: “only in the twentieth century (and early twenty-first century), under the influence of Freudianism, have we found ourselves increasingly ‘suspicious’ of same-sex relationships” (p. 219) Het verbaast dan ook niet dat de oudere jongens in Ways onderzoek vaker homofobe uitspraken doen dan wanneer ze jonger zijn. Vooral de tussenwerping ‘no homo’, waarmee ze zich expliciet als hetero positioneren nadat ze iets zeggen dat als ‘verdacht’ intiem of genegen kan worden geïnterpreteerd.

Crisis of connection

In het laatste hoofdstuk - The Crisis of Connection - zoomt Way uit naar de bredere gevolgen van deze patronen voor het welzijn van jongens, hun relaties en, bij uitbreiding, onze samenleving. Ze breekt een lans voor een empathische houding en een luisterend voor jongens, én voor een kritische blik op een cultuur waarin waarin steeds meer mensen zich alleen voelen: “While some scholars claim we are in the midst of a ‘boy crisis’, we appear, instead, to be in the midst of a human crisis - a ‘crisis of connection’.” (p. 266) Way pleit voor een zorgzame samenleving waarin jongens met meer emotionele openheid en zachtheid benaderd worden, zodat die fundamentele menselijke kwaliteiten behouden en gesterkt worden, in plaats van ontmoedigd en afgeremd.