gender asset accumulationGender, Asset Accumulation and Just Cities: Pathways to Transformation
Caroline O. N. Moser (Ed.)
Londen: Routledge, 2016, 208 p.
RoSa-exemplaarnummer: FII i/170
Onderwerpen: armoede / sociale veiligheid / kostwinners / mobiliteit / wonen / gelijke kansen / 

 

 

Meer dan de helft van de wereldbevolking woont momenteel in stedelijke gebieden. Dat maakt van verstedelijking één van de belangrijkste fenomenen van de 21ste eeuw. Ondanks toenemende erkenning van de gevoelige relatie tussen economische en sociale ontwikkeling in steden, ziet men de genderdimensie van deze interactie vaak over het hoofd wanneer er wordt gesproken over het begrijpen van de complexiteit van de huidige verstedelijkingsprocessen. Caroline O. N. Moser en haar medeauteurs proberen in dit boek de verwaarlozing van een zogenaamde ‘genderblik’ recht te zetten.

Moser fungeert in deze publicatie als redacteur en auteur. De naam Moser zegt je misschien wel iets. Moser is voornamelijk bekend voor het ontwikkelen van het Moser Gender Planning Framework (MGPF), een belangrijk raamwerk uit de jaren ’80 van de vorige eeuw. Het MGPF is een tool om een genderanalyse te doen van ontwikkelingsplanning. Ze is daarnaast een bekend academicus gespecialiseerd in sociaal beleid en stedelijke sociale antropologie. Een genderanalyse staat centraal in elk onderzoek dat ze voert, maar in dit boek vormt het ook meteen de primaire focus.

Waarom dit boek en wat kan je verwachten?

Dat gender een rol speelt bij stedelijke armoede is iets dat zowel in theoretisch als empirisch onderzoek al meermaals bewezen is. Caroline O. N. Moser argumenteert in de inleiding tot dit boek dat zaken als stedelijke vermogensopbouw en -eigenaarschap echter veel minder door een genderbril worden bekeken. En het zijn net die twee aspecten die volgens haar een bijdrage kunnen leveren tot een ware transformatie van stedelijk beleid en realiteit. Door middel van Gender, Asset Accumulation en Just Cities tracht ze enerzijds deze onderwerpen op de agenda te zetten en anderzijds ook concreet aan te tonen waarom dat - vanuit een genderperspectief - belangrijk is. Het boek overstijgt het ‘alleen bespreken van’ de thematiek van vermogens. Doel is ook om na te gaan in welke mate een genderblik op zaken als vermogenseigenschap en –opbouw binnen een stedelijke context kan bijdragen tot het verwezenlijken van meer rechtvaardige steden.

“…transformative cities and transformative gender relations are interrelated processes that mutually reinforce each other. As the world becomes increasingly urbanized, such interrelated process will undoubtly become of critical significance.” (p. 17)

Het boek is erg theoretisch opgebouwd en vergt redelijk wat voorkennis over de onderwerpen die het behandelt alsook een degelijke notie van het Engels aangezien de auteurs stuk voor stuk aardig met vakjargon in het rond strooien. Dat heeft zijn nadelen (het boek is niet zomaar voor iedereen toegankelijk), maar ook zijn voordelen: het biedt concrete handvaten, kennis en een duidelijk perspectief aan diegene die concreet bezig zijn met of geïnteresseerd zijn in verstedelijking en meer specifiek de impact van gender op de realiteit binnen een stedelijke context.

Naast het bespreken van een probleem en het aankaarten van een mogelijk genderanalyse, worden ook concrete voordelen van zo’n genderblik naar voor geschoven en besproken. Mooi is ook dat de auteurs op zoek gaan naar een beleid dat door middel van een genderperspectief tot een betere uitkomst voor de hele stad kan leiden, en niet enkel voor vrouwen.

Via een genderblik naar rechtvaardigere steden

In Gender, Asset Accumulation en Just Cities wordt op een doelgerichte manier en via verschillende invalshoeken onderzocht welke voordelen een genderblik op vermogensopbouw – en eigenaarschap biedt met als ultieme wens een realiteit teweegbrengen waarin de verdeling en accumulatie van activa op een meer rechtvaardige manier zal gebeuren.

Waarom die blik? Tot op heden hebben noch academische debatten, noch geformuleerde beleidsinitiatieven en -praktijken met betrekking tot rechtvaardige steden specifieke aandacht besteed aan gegenderde ongelijkheden, discriminaties of kansen. Vanuit een gloednieuw perspectief mét oog voor het genderaspect ontwaart zich een afzonderlijk discours dat nauw aanleunt bij wat men ook wel ‘gender justice’ of genderrechtvaardigheid noemt. Indien er in bestaande wetenschappelijke en politieke debatten rond steden echter sprake is van gender justice ligt de focus vooral op zaken als stadsrechten en democratie. Net daar knelt de schoen een tweede maal. Bij geen enkele gendergevoelige invalshoek is tot nu toe specifieke aandacht gevestigd op de mogelijke implicaties voor de accumulatie van activa door vrouwen en de daarmee verbonden mogelijkheden tot empowerment. En, hoe – moest die aandacht er wel zijn – dit zou kunnen leiden tot, wat Moser ‘transformerende paden’ noemt, die tot rechtvaardige steden leiden voor alle inwoners, ongeacht geslacht.

Het accent van dit boek ligt dan ook op die ontbrekende link, waarbij naar ‘gender en rechtvaardige steden’ wordt gekeken met aandacht voor de mogelijkheden die vermogensopbouw en - eigenaarschap van vrouwen kunnen bieden. Dat is de algemene toon, maar de blik die de verschillende bijdragers op dat thema werpen is divers. Ze putten hierbij uit een breed scala van perspectieven. Zo wordt vertrokken vanuit huishoudensverantwoordelijkheden, huisvesting of grondbezit of er wordt een link gelegd met onder meer gendergerelateerd geweld, transport en klimaat (cf. infra).

Twee gezichten

De relatie tussen ‘gender’ en ‘rechtvaardige steden’ wordt in het boek als tweezijdig ervaren. Enerzijds bestaan er gegenderde beperkingen, zoals ongelijkheden, exclusie of een onbalans met betrekking tot onder meer financiële middelen, menselijk kapitaal en sociaal kapitaal die vrouwen parten spelen. Daarnaast speelt gender ook een rol in de keuzes van maatregelen om van steden meer rechtvaardige plaatsen te maken. Dit gaat om de keuzes van vrouwen zelf (hoe proberen ze zichzelf te empoweren?), maar ook via de keuzes die bijvoorbeeld door een stad als beleid naar voor worden geschoven (zijn deze initiatieven gendergevoelig of niet?), én de mate waarin vrouwen bij (het ontwerp van) dergelijke plannen betrokken worden. De paden die gekozen worden kunnen er al dan niet toe bijdragen dat een stad een meer rechtvaardige plek wordt met aandacht voor achterstellingen op basis van geslacht of genderrollen.

Belangrijk besef ook voor je met het boek aan de slag gaat is het volgende:

“…while the accumulation of assets may empower women, this process does not always successfully challenge power relations in a transformative manner, thereby contributing to just and more inclusive cities. Equally those transformative actions that do change power relations in cities do not necessarily transform gender power relations.” (Caroline O. N. Moser, p. 16)

Diverse waaier aan invalshoeken, raamwerk als rode draad

In het boek schuift Moser een algemeen raamwerk naar voren. Dit raamwerk, ‘The Framework of gender asset pathways to empowerment and transformation’ is terug te vinden op p. 11 en vormt de rode draad doorheen het boek. Alle hoofdstukken, en dus invalshoeken, in het boek worden geformuleerd aan de hand van de insteek in dit raamwerk, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen ‘uitdagingen en mogelijkheden’, ‘intermediaire factoren’ en ‘gegenderde uitkomsten’. Uitleg bij dit alles krijg je in het inleidende hoofdstuk ‘Towards a nexus linking gender, assets, and transformational pathways to just cities’ (p. 1-20).

In de daaropvolgende hoofdstukken wordt onder andere ingegaan op de link tussen het stijgend aantal vrouwen dat als ‘hoofd van het huishouden’ optreden in het globale zuiden en de feminisering van armoede (hoofdstuk 2), de link tussen de tewerkstellingsvraagstukken in steden en de ongelijke toegang voor vrouwen tot winstgevende banen (hoofdstuk 4), gegenderde ongelijkheden met betrekking tot grondbezit en huisvesting (hoofdstuk 5) en de mogelijkheden waarop een hernieuwd transportbeleid in steden tot meer rechtvaardige steden m/v kan leiden (hoofdstuk 8). Daarnaast staan ook bestaande initiatieven waaruit inspiratie geput kan worden centraal, zoals Shack/Slum Dwellers International (SDI) waarvan in hoofdstuk 7 een analyse volgt. Meer bepaald wordt in dat hoofdstuk aandacht besteedt aan hoe het project in Zimbabwe gebruikt wordt en wat dit vanuit een genderperspectief aan voordelen kan opleveren.

“SDI strategies have been closely aligned to asset accumulation approaches, with recognition that assets play a critical role in advancing the needs and interest of the lowest-income and most-disadvantaged groups.” (p. 130)

In hoofdstuk 9 worden GBV (gender based violence) en VAWG (violence against women and girls) als problemen naar voor geschoven waar vooral vrouwen in geürbaniseerde omgevingen risico op lopen. Er wordt geopperd dat er potentieel is om dit risico te verlagen door het voeren van een transformatief beleid met genderlens.

“While the roots of GBV lie in unequal gendered power relations and patriarchy and their intersections with processes of urbanization, poverty, and inequality, lack of access to or the erosion of a series of first-, second-, and third-generation assets act as important urban-specific triggers for the perpetration of GBV.” (p. 159)

Zoals auteur Cathy McIlwaine concludeert:

“…an assets-based approach allows for the deconstruction of the causes, triggers, and effects of GBV in cities in ways that ultimately help in thinking how it might be reduced through gendered empowerment and transformation processes in the longer term.” (p. 160)

Helemaal op het einde, in hoofdstuk 11, dagen Caroline O. N. Moser en haar collega Alfredo Stein, stereotypen uit over gegenderde kwetsbaarheid voor klimaatverandering.

“Women’s engagement in planning processes around climate change asset adaptation is crucial in moving towards a just city, in which the transformative potential of gendered colledtive action can be realised by both identifying as well as implementing such agendas at the local level.” (p. 195)

Diverse cases, maar één geheel?

Grootste minpunt aan het boek is misschien dat een algemene samenvattende conclusie uitblijft, ondanks dat de verschillende hoofdstukken in het boek zich allemaal baseren op het in de inleiding naar voor geschoven raamwerk. De essays staan op zichzelf en behandelen allemaal diverse cases. De analyse stopt dan ook abrupt na het elfde hoofdstuk. Dat laat echter niet weg dat het boek een interessante kijk biedt op een aantal actuele vraagstukken over toenemende verstedelijking. Mensen die concreet met de thematiek van steden bezig zijn, vinden in dit boek dan ook een handige gids voor hoe het anders en hopelijk beter kan in de toekomst, vaak door simpele, kleine aanpassingen in beleid. Zoals Moser hoofdstuk 3 concludeert: “…we need to look for small steps in a long process rather than assume we can identify major visible processes of change on a large scale” (p. 57).