1830-1900

fabrieksarbeid Herstal

Vrouwenarbeid staat in de 19e eeuw bijzonder laag aangeschreven. De arbeidsomstandigheden zijn slecht en het loon heel wat lager dan dat van mannen. Vrouwenarbeid was zeer divers. Vrouwen waren hulpkrachten op familieboerderijen of commerciële gezinsbedrijven. Een groot deel van hen was werkzaam in de huisnijverheid. Huisarbeidsters deden thuiswerk in dienst van een patroon. Vrouwen werden in grote getale ingezet als dienstmeiden in stedelijke gezinnen of op boerderijen. Onbemiddelde burgervrouwen konden aan de slag als gouvernante of gezelschapsdame in rijkere kringen. Een beperkt aantal vrouwen was aan de slag als zelfstandige onderneemster. De industriële revolutie trok in toenemende mate vrouwelijke arbeidsters aan.

Alhoewel andere vrouwen vaak niet beter af waren, veroorzaakte alleen de fabrieksarbeid van vrouwen publieke reactie. Het harde werk van dienstmeiden en huisarbeidsters gebeurde binnen huiselijke kring en was dus aanvaardbaar in de 19e eeuwse moraal. Fabrieksdagen van gemiddeld 13 uur waardoor vrouwen niet voldoende konden instaan voor hun huishouding of opvang van kinderen riepen meer tegenstand op. De angst voor zedenverval in de gemengde werkplaatsen voedde de tegenstand. 

Tegen het einde van de 19 eeuw was de weerstand tegen vrouwenarbeid groot. Het verhinderde vrouwen bij het vervullen van hun ‘natuurlijke' taak als moeder en echtegenote en werd gezien als oorzaak voor ongeletterdheid, zedenverval en kindersterfte.  Steeds meer stemmen gingen op voor de bescherming van de vrouwenarbeid in het belang van kind, gezin en moeder.  Dit resulteerde uiteindelijk in de wet op vrouwen en kinderarbeid van 1889, een wet die bepaalde beperkingen instelde op de arbeid van kinderen en meisjes tot 21 jaar.

Visie op arbeid

Katholieken zagen de  plaats van de vrouw aan de haard. De natuurlijke taak van de vrouw was in het gezin. De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen werd niet echt in vraag gesteld.  De vrouwenorganisaties richtten zich op het verbeteren van de levensomstandigheden van vrouwen. Christelijke feministen als Louise Van Den Plas (1877-1967) kwamen op voor een verhoging van de vrouwenlonen en beroepskansen voor de ongehuwde vrouw maar tegelijkertijd benadrukten ze de superieure positie van de man binnen het gezin. Het arbeidsrecht van gehuwde vrouwen blijft binnen het christelijke feminisme een heikel punt.

emilie claeys

Het eerste feministische argument voor recht op arbeid komt van de socialiste Emilie Claeys (1855-1943), medeoprichtster van de Socialistische propagandaclub voor vrouwen.

"wij vrouwen, hebben dus een dubbelen strijd te voeren. Wij hebben ons niet alleen vrij te maken tegenover de kapitalist-uitbuiter, maar ook tegenover den alleenheerschende echtegenoot."
brochure ‘Een woord aan vrouwen', Emilie Claeys, 1891 (citaat de weerdt, 1980:95)

Voor het eerst duikt het argument op dat buitenshuis arbeid voor vrouwen bevrijdende zou werken. Dit neemt echter niet weg dat ook voor de socialisten het hoogste ideaal voor de vrouw nog steeds de taak van echtgenote, huisvrouw en moeder was. De nadruk lag op het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden en het verhogen van het loon van de arbeider zodat de vrouw helemaal thuis kon blijven. Binnen de socialistische strijd werden de lagere lonen van vrouwelijke arbeidsters beschouwd als oneerlijke concurrentie. Het burgelijk ideaal van vrouw aan de haard werd ook door de arbeidersbeweging overgenomen en kreeg daar een bijkomende betekenis van sociale mobiliteit van de echtgenoot. 

Bij het burgerlijk feminisme ligt de nadruk op de strijd voor juridische gelijkheid. Wat betreft arbeid gaat dit vooral om de toegang van vrouwen tot vrije beroepen en de strijd om gelijk loon.

1900-WOI

Rond de eeuwwisseling brachten de sterk veranderend sociale en economische omstandigheden ook een nieuw beeld op vrouwenarbeid. De arbeid in landbouw en veeteelt daalde sterk en steeds meer vrouwen werkten als kantoorbedienden, winkelbedienden en staatsambtenaren. Tegen 1910 was 22% van de beroepsactieve vrouwen werkzaam in de dienstensector. Het begin van de twintigste eeuw bracht ook een aantal wetten die de arbeidsomstandigheden van vrouwen verbeterden.

In 1900 kreeg de gehuwde vrouw spaarrecht, het recht op het afsluiten van een arbeidscontract en het innen van een loon. In 1905 werd de verplichte zondagsrust ingesteld, in 1910 kregen vrouwen kiesrecht voor en toelating tot werkrechtersraden, in 1911 werd een verbod op nachtwerk voor vrouwen ingesteld.

Tijdens de eerste wereldoorlog worden vrouwen op grote schaal ingeschakeld voor liefdadigheidswerk en verdwijnen feministische eisen naar de achtergrond. Na de eerste wereldoorlog stelt het Internationaal Arbeidsbureau bepalingen op voor gelijk loon voor gelijk werk en een eerste stap in de bescherming van moederschap. Deze bepalingen blijven echter grotendeels dode letter. In 1921 worden gelijke weddebarema's voor onderwijzers en onderwijzeressen ingevoerd, een eerste stap in de strijd voor gelijk loon.

Interbellum

In het interbellum is er voor het eerst aandacht voor de dubbele dagtaak van vrouwen. Stijgende welvaart en toenemende druk op het gezin bracht vrouwen ertoe het werk te verlaten zodra de welstand van het gezin dit toeliet. Beroepsarbeid voor gehuwde vrouwen werkte sociaal verlagend en de schadelijke invloed ervan op het nageslacht werd hét tegenargument.  Socialisten zochten naar beschermende maatregelen voor werkende moeders en kwamen voorzichtig op voor voorzieningen die de dubbele dagtaak moesten verlichten zoals kinderkribben, volkskeukens en samenwerkende wasserijen.

Katholieken streden voor de afschaffing van arbeid voor gehuwde vrouwen. Het christelijk feminisme wou de economische situatie van de arbeidsters verbeteren en vroeg een sociale wetgeving gericht op de bescherming van gezin en moederschap. Voor het eerst werd het stelsel van parttime arbeid voor de gehuwde vrouw verdedigd.

Crisisjaren '30

cartoonDe economische crisis van de jaren dertig brengen een aantal maatregelen die de arbeid van vrouwen beperken. In 1933 worden de wedden van vrouwelijke staatsambtenaren met 25% verminderd als ze gehuwd waren met een staatsambtenaar. Gehuwde vrouwen verliezen het recht op werkeloosheidsuitkering. In 1934 wordt het percentage gehuwde en niet-gehuwde arbeidsters in elke industrietak vastgelegd bij Koninklijk Besluit.  In 1935 probeerde men het loon van onderwijzeressen en staatsagentes te verminderen maar onder druk van massale protestacties wordt dit terug ingetrokken.

Bij het begin van de crisisjaren werd de Belgische afdeling van Open Door International, Porte Ouverte, opgericht voor de economische ontvoogding van de vrouw. Onder leiding van Louise De Craen- Van Duuren sprong Porte Ouverte samen met de socialistische vrouwen tijdens de crisisjaren in de bres tegen de beperkende maatregelen.

Het feministisch verzet werpt zijn vruchten af. In 1935 wordt, bij het aantreden van de nieuwe katholiek-liberaal-socialistische regering, een delegatie van vrouwenorganisaties gehoord. De discriminerende maatregelen worden terug ingetrokken en de Commissie voor Vrouwenarbeid wordt opgericht. De commissie is belast met "voor advies het bestuderen van vraagstukkend betreffende de tewerkstelling van vrouwen" .

Desondanks werd vrouwenarbeid zoveel mogelijk ontmoedigd. Buitenshuis werken was voor de meeste vrouwen een intermezzo in hun levensloop dat eindigde met het huwelijk. Vanaf 1930 daalde de vrouwelijke tewerkstelling tot een absoluut dieptepunt in 1947. Daarna begon ze vooral  door de dienstensector voorzichtig opnieuw te stijgen.

 

illustraties:

Grote hall van de wapenfabriek F.N. Herstal uit: Stap voor stap. Geschiedenis van de vrouwenemancipatie in België. Keymolen Denise, Coenen Marie-Thérèse, 1991.: p. 12 (RoSa exemplaarnummer:FII m/0222 )

Emilie Claeys. uit:idem, p. 32

civilisation, 1934. uit: idem, p. 68

Lees ook

Aanraders uit de RoSa-bibliotheek

boekcoverboekcoverboekcoverboekcover 

 

  • Gewapend met het gewicht van het verleden:enige resultaten van vrouwengeschiedenis in België, Michel Huysseune, Machteld De Metsenaere, Micheline Scheys. In: Geschiedenis van de vrouw : deel 5 : De twintigste eeuw, Georges Duby (e.a. red) , 1993, p.523-556 - RoSa ex.nr.: FI m/0194
  • En de vrouwen? Vrouw, vrouwenbeweging en feminisme in België. 1830-1960. De Weerd Denise, 1980 - RoSa ex.nr.: FII m/0062
  • Vrouwenarbeid in België : het tewerkstellingsbeleid inzake vrouwelijke arbeidskrachten : 1930-1972, E. Lambrechts, 1979 - RoSa ex.nr.: EII b/0027
  • Vrouwenarbeid in België van ca 1860 tot 1914, Denise Keymolen, 1977 - RoSa ex.nr.: EI m/0002