1957: Verdrag van Rome

Verdrag van RomeIn 1957 ondertekenen zes Europese landen waaronder België, het Verdrag van Rome. De EEG is een feit. Een onderdeel van het Verdrag is artikel 119 waarin bepaald wordt dat “iedere lidstaat er zorg voor draagt dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast.” Door het Verdrag te ondertekenen, verbindt België zich ertoe dit principe toe te passen vanaf januari 1962. De uiteindelijke uitvoering laat echter veel te wensen over: halfweg de jaren ’60 is er nog weinig of niets gerealiseerd.

1966: staking bij FN Herstal

Staking FN HerstalEen eerste protest op het niet naleven van het principe “gelijk loon voor gelijk werk” manifesteert zich in 1966 bij de wapenfabriek FN-Herstal waar de vrouwelijke werknemers massaal in staking gaan. Op 16 februari 1966 begon die staking. Ze werd één van de grootste acties uit de Belgische sociale geschiedenis. ‘Groot’ niet alleen door haar omvang – 3.800 arbeidsters legden die dag het werk neer voor een staking die 12 weken zou duren - maar ook door haar symboolfunctie op zowel feministisch als sociaal vlak.

De arbeidsters pikten het niet langer dat ze veel minder betaald werden dan hun mannelijke collega's. Voor hun strijd baseerden ze zich op artikel nr. 119 van het Verdrag van Rome over gelijk loon voor gelijk werk, door België ondertekend op 25 maart 1957. De machine-arbeidsters van FN, ‘femmes-machines’ genoemd, werkten in abominabele omstandigheden. Verouderde machines en slechte hygiënische omstandigheden droegen bij tot het vuile en ongezonde werk. Hoewel van kop tot teen besmeurd met olie en vuil, waren er op het fabrieksterrein niet voldoende wasmogelijkheden aanwezig. Warm water ontbrak volledig. Ondanks het feit dat ze een soort ingangsexamen moesten afleggen en ze een gespecialiseerde kennis van de machines verworven, lag hun loon lager dan dat van de minst gekwalificeerde arbeider.

In 1965 verdienden vrouwen bij FN gemiddeld 25% minder dan hun mannelijke collega’s. De voornaamste reden voor de staking lag dan ook in het feit dat vrouwen erkend wilden worden als gespecialiseerde arbeidsters en bijgevolg ook als dusdanig verloond wilden worden: ze eisten een herwaardering van hun functie, gelijk loon voor gelijkwaardig werk.

In 1966 was de maat vol. Op 16 februari legden de vrouwen het werk neer. Zonder syndicale steun, zonder overleg of zonder stakingsaanzegging begonnen ze aan hun wilde actie. Hun eis: vijf frank per uur loonsopslag. De staking werd massaal opgevolgd en kon al vlug op heel wat solidariteit rekenen, zowel van binnen als van buiten het bedrijf. Arbeidsters van andere bedrijven als ACEC en Schreder begonnen aan een solidariteitsstaking. Ook de mannelijke werknemers waren solidair en ondertekenden een steunpetitie. Door de staking van de femmes-machines en hun noodzakelijke arbeid lag overigens een groot deel van de productie stil en werden vele mannen noodgedwongen werkloos. Op een grote manifestatie op 25 april in Luik waren delegaties aanwezig uit Frankrijk en Nederland. Een informeel comité van arbeidsters en een later door de vakbonden opgericht stakingscomité coördineerden de acties. Op 5 mei 1966, na twaalf weken staking en na interpellatie in het Belgische en Europese parlement, werd er een oplossing gevonden. Werkneemsters en directie van FN-Herstal aanvaardden het voorstel een onmiddellijke loonsverhoging toe te kennen van 2 frank per uur, met een extra opslag van 0.75 frank op 1 januari 1967.

De impact van de staking was groot. Nooit eerder had een actie van vrouwen, ontstaan vanuit een vrouweneis, een zodanige solidariteit en weerklank teweeg gebracht. De vakbonden beseften dat er in het vervolg rekening moest worden gehouden met de vrouwen. Niet alleen werd de eis van gelijke beloning eindelijk op de agenda geplaatst, ook de vrouwen zelf werden zich meer bewust van het belang van een syndicale deelname. ‘Gelijk loon voor gelijk werk’ werd in de wetgeving opgenomen. Ook voor de geschiedenis van het feminisme was de staking bij FN een erg belangrijke gebeurtenis. Het Actiecomité Gelijk Loon voor Gelijk Werk dat ten tijde van de staking ontstond, verenigde intellectuele vrouwen van verschillende gezinnen. Dit pluralistische comité verbond in de jaren '60, nog voor het uitbreken van de tweede feministische golf, het debat over de positie van de vrouw aan sociale, economische, juridische en politieke factoren. Het comité bleef actief tot in 1977.

1968: Gabrielle Defrenne vs Sabena

Gabrielle DefrenneIn 1968 laait de discussie opnieuw op. Op 16 februari 1968 wordt Gabrielle Defrenne, stewardess bij Sabena, verplicht op non-actief gezet omdat ze 40 jaar werd. Artikel 5 van haar arbeidscontract bepaalde immers dat vrouwen na hun veertigste verjaardag geen deel meer konden uitmaken van de crew terwijl deze passage in de contracten van mannelijk boordpersoneel ontbrak. Uiteraard had dit nadelige gevolgen voor het pensioen. Gabrielle Defrenne begint daarop een juridische kruistocht om gelijke behandeling te eisen met artikel 119 als uitgangspunt.  Haar claims eindigen telkens voor het Europees Gerechtshof in Luxemburg.

Het Europees Gerechtshof doet in totaal drie uitspraken. Een eerste verzoek van Defrenne om eenzelfde pensioen te krijgen als haar mannelijke collega’s, wordt afgewezen (‘Defrenne I’). Ook de derde zaak, over de verschillende arbeidsvoorwaarden waardoor vrouwen gedwongen werden vroeger op pensioen te gaan dan mannen, wordt afgewezen (‘Defrenne III’). Noch de pensioenuitkeringen, noch de arbeidsvoorwaarden, vallen volgens het Hof onder artikel 119 en het principe ‘gelijk loon voor gelijk werk’. Positief is echter de uitspraak in de zaak ‘Defrenne II’. Hierin oordeelde het Europees Gerechtshof dat de zes oorspronkelijke lidstaten, door ondertekening van het verdrag en dus van het artikel 119, uitdrukkelijk de plicht hebben hun onderdanen te beschermen tegen discriminaties die voortvloeien uit de nationale wetgeving of uit cao’s. Artikel 119 kon dus ook gebruikt worden in de nationale rechtbanken bij het oordelen over verzoeken tot gelijke verloning. Als een gevolg hiervan werd Sabena, dat pas in 1966 de gelijke beloning tussen mannen en vrouwen invoerde, verplicht om Gabrielle Defrenne voor de periode 1962 – 1966 hetzelfde loon uit te betalen als de stewards en dus het verschil bij te passen.

De zaak-Defrenne had een enorme impact. Onmiddellijk na de juridische uitspraak, nam de Europese Commissie concrete stappen op weg naar een meer gelijke behandeling van mannen en vrouwen. In 1975 kwam er bijvoorbeeld een richtlijn i.v.m. de gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers (75/115), in 1976 gevolgd door een richtlijn i.v.m. de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, beroeps­opleiding, promotiekansen en arbeidsvoorwaarden (76/207/EEG). Eveneens een gevolg van de zaak-Defrenne was richtlijn 78/7 waarin de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid werd aangepakt. Naast deze richtlijnen die vooral nuttig waren om de wettelijke gelijkheid te realiseren, werden er ook de nodige actieprogramma’s uitgestippeld. Vanaf 1982 werd bijvoorbeeld extra aandacht besteed aan de financiële ondersteuning van kindercrèches en het aanbieden van opleidingen voor die beroepen waar vrouwen ondervertegenwoordigd bleken te zijn. De zaak-Defrenne was, net als de vrouwenstaking bij FN-Herstal, een kwestie die de louter Belgische context ver overschreed. Beide gebeurtenissen droegen er op belangrijke wijze toe bij dat de gelijke beloning van mannen en vrouwen daadwerkelijk werd aangepakt én juridisch werd gewaarborgd.

‘Defrenne I’: Case 80/70 [1971] ECR 445 Gabrielle Defrenne vs. de Belgische staat
‘Defrenne II’: Case 43/75 [1976] ECR 455 Defrenne vs. Sabena
‘Defrenne III’ : Case [1978] ECR 1365 Defrenne vs. Sabena
meer info: International Labour Organisation

zie ook: Arrest van het Hof van 15 juni 1978 - Gabrielle Defrenne tegen de Belgische Luchtvaartmaatschappij nv Sabena - ("Gelijkheid tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers inzake arbeidsvoorwaarden") - (Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Belgische Hof van Cassatie). Zaak nr. 149/77

Lees ook