De pioniers: aandacht voor het onderwijs

Heroriëntering van de feministische strijd   
  
Burgerlijk feminisme   
   Socialistisch feminisme
  
   Christelijk feminisme   
Nationale en internationale samenwerking
  
Weinig aandacht voor vrouwenstemrecht
Feministische eisen gefnuikt door WOI

Interbellum

  
jaren '20
   jaren '30
Christelijk feminisme
Socialistische vrouwenbeweging

Liberale vrouwenbeweging

Na WOII: Eindelijk stemrecht

Meer lezen

Situatieschets

Anno 1830 is de situatie van de vrouw in het nog jonge België allesbehalve rooskleurig. Het Burgerlijk Wetboek, gebaseerd op de Code Napoleon, is ronduit discriminerend. Vrouwen zijn volledig onderworpen aan de maritale macht van hun echtgenoot. Op politiek vlak blijft de democratie beperkt tot welstellende mannelijke burgers. Als gevolg van het cijnskiesrecht mogen vrouwen, net als mannen met een te laag inkomen, niet naar de stembus. Werkende vrouwen moeten het stellen met beduidend minder loon dan hun mannelijke collega's. Vrouwenarbeid staat bijzonder laag aangeschreven, de arbeidsomstandigheden zijn bijzonder slecht. De onzekere situatie van vele werkneemsters leidt tot prostitutie en uitbuiting. Mannen hoeven overigens geen verantwoordelijkheid te dragen voor hun natuurlijke kinderen. Volgens het burgerlijk ideaal dat hoe langer hoe meer aanhangers vindt, hoort de gehuwde vrouw aan de haard. Haar hoogste en natuurlijkste taak is de zorg om de kinderen. 

De pioniers: aandacht voor het onderwijs

Meisjesonderwijs

De kwaliteit van het meisjesonderwijs is anno 1830-1840 ronduit gebrekkig te noemen, als het al bestaat. Het wordt volledig overgelaten aan het privé-initiatief en is hoofdzakelijk in handen van de katholieke kerk. Het voortgezet onderwijs voor meisjes is in die tijd zo goed als onbestaande. Eén van de eerste vrouwen in België die daadwerkelijk stappen onderneemt om aan deze situatie iets te doen is Zoé Gatti de Gamond (1806-1854) . Onderwijs is volgens Gatti de Gamond en haar geestesverwanten, onder wie Zoé Parent, dé hefboom voor de emancipatie van de vrouw. Degelijk onderwijs zou de intellectuele achterstand van vrouwen ten overstaan van mannen wegwerken. De mentaliteit zou veranderen, waarna de gelijkheid tussen mannen en vrouwen als vanzelf zou komen. Haar ideeën verwoordt ze onder meer in haar werk De la condition sociale des femmes au XIXe siècle waarin ze duidelijk naar voren laat komen dat onderwijs onontbeerlijk zal zijn om de situatie van de vrouw te verbeteren. In 1835 richt ze samen met Eugenie Poullet twee scholen op: één voor de vorming van volwassen arbeidersvrouwen, de andere voor het opleiden van minder begoede meisjes tot onderwijzeres. Haar medestandster Zoé Parent laat zich evenmin onbetuigd: samen met haar man Constantin Héger bouwt ze een vermaard meisjesinstituut uit. In 1847 wordt Zoé Gatti de Gamond aangesteld als de eerste inspectrice van het Brusselse kleuter- en lager onderwijs en van de normaalscholen voor meisjes.

Na de dood van haar moeder gaat dochter Isabelle Gatti de Gamond (1839-1905) op de ingeslagen weg verder. Ze is de drijvende kracht achter het maandblad Education pour la femme. Door toedoen van Isabelle Gatti de Gamond, de latere directrice, wordt in Brussel in 1864 de eerste stedelijke meisjesschool opgericht. De school onderwijst een volledig leerprogramma van lager middelbaar onderwijs, een primeur. Een jaar later wordt, eveneens in Brussel, de eerste beroepsschool voor meisjes opgericht. De eerste Cours d'Education pour Jeunes Filles kent een groot succes en Isabelle Gatti de Gamond krijgt al snel navolging. Met de stichtingen laten de dames een nieuwe wind waaien door de Belgische meisjesscholen. Er wordt geen godsdienstonderricht gegeven, de invloed van de katholieke kerk is er onbestaande en, wat belangrijk is, meisjes krijgen voor het eerst een volwaardige opleiding. Isabelle Gatti de Gamond en haar navolgsters profiteren mee van de koers die gevolgd wordt door de liberale bestuurders. Vanaf 1860 stichten zij, in een poging de katholieke invloed in het onderwijs te breken, een netwerk van volksscholen. Liberale stadsbesturen over het hele land volgen het voorbeeld van Isabelle Gatti de Gamond en besluiten ook meisjesonderwijs in te richten, in eerste instantie met de bedoeling de meisjes op te leiden tot goede vrouwen en moeders. Tegelijkertijd zou ook het katholiek onderwijs inspanningen doen om het programma te verbeteren. In 1892 stelt Isabelle Gatti de Gamond de meisjes in staat ook een pre-universitaire opleiding te volgen door het toevoegen van een extra afdeling aan haar school. Pas in 1879 en 1881 worden respectievelijk het middelbaar normaalonderwijs en het lager middelbaar staatsonderwijs bij wet geregeld. In 1925 volgt het hoger middelbaar onderwijs.

Situatie aan de universiteiten

Universiteiten blijven tot diep in de negentiende eeuw gesloten mannenbastions. Brussel opent in 1880 de deuren voor vrouwelijke studenten, de Luikse en Gentse universiteit volgen in respectievelijk 1881 en 1882. In Leuven kunnen vrouwen zich pas vanaf 1920 inschrijven. De eerste vrouwelijke universiteitsstudenten zijn vooral geïnteresseerd in richtingen zoals wetenschappen, geneeskunde en farmacie. Een diploma letteren en wijsbegeerte is veel minder gegeerd. Desalniettemin is het voor vrouwen niet altijd gemakkelijk om met het diploma ook daadwerkelijk iets te doen. Voortgezet onderwijs wordt immers nog hoofdzakelijk als een middel gezien om de persoonlijke bagage te vergroten, niet om effectief aan de slag te gaan. Twee bekende gevallen illustreren de moeilijkheden die vrouwen ondervinden. Isala van Diest (1842-1905) behaalt in 1879 haar diploma van dokter in de geneeskunde aan de universiteit van Bern nadat ze door de Leuvense universiteit geweigerd werd. Om haar diploma in België te laten goedkeuren moet ze extra cursussen volgen aan de ULB. Nog is dit niet voldoende om het beroep van dokter te kunnen uitoefenen. Isala van Diest moet daarvoor een beroep doen op de wet van 20 mei 1876. Volgens artikel 43 van die wet kan het parlement de voorwaarden vastleggen waaraan vrouwen moeten voldoen om bepaalde takken van de geneeskunde te kunnen uitoefenen. Op 42-jarige leeftijd kan Isala van Diest uiteindelijk dan toch haar beroep uitoefenen.

Marie Popelin (1846-1913) studeert in 1888 af als eerste vrouwelijke juriste aan de ULB. Zowel het Brusselse Hof van Beroep in 1888 als het Hof van Cassatie een jaar later, spreken zich uit tegen de eedaflegging van een vrouwelijke advocate. Men is van oordeel dat een vrouw niet geschikt is om het beroep van advocate uit te oefenen als gevolg van -onder andere- haar aangeboren zwakheid, de  eisen van het moederschap en de zorg voor de kinderen. Het ontbreekt haar volgens het vonnis aan kracht om zich aan de specifieke eisen van de balie naar behoren te kunnen aanpassen. Pas in 1922 zouden vrouwen tot de balie worden toegelaten, te laat voor de dan reeds overleden Popelin.

terug

Heroriëntering van de feministische strijd

Burgerlijk feminisme

De afwijzing van Marie Popelin betekent een keerpunt in de geschiedenis van de eerste feministische golf. De pogingen van proto-feministen ten spijt, is duidelijk geworden dat er meer nodig zal zijn dan onderwijs om de bestaande ongelijkheden weg te werken. Als antwoord op de nieuwe situatie worden vanaf 1892 verschillende organisaties opgericht met een burgerlijk-feministisch karakter. De nieuwe organisaties waren pluralistisch wat wil zeggen dat ze openstonden voor alle politieke strekkingen en zich niet achter een welbepaalde politieke kleur schaarden. In de praktijk hebben de verenigingen vaak een liberale inslag. Ze richten hun energie vooral op de juridische gelijkberechtiging van mannen en vrouwen, het recht op arbeid voor vrouwen en de gelijkheid van man en vrouw binnen het huwelijk.

Ligue belge du droit des femmes

De eerste feministische organisatie in ons land, wordt in 1892 opgericht door Marie Popelin en Louis Frank. Louis Frank, advocaat en fervent verdediger van de rechten van de vrouw, had in 1888 de verdediging van Marie Popelin op zich genomen. Uitgezonderd Popelin en Frank zijn ook Isala van Diest, Louise Popelin (zus van) en Henri en Leonie La Fontaine bij de stichting betrokken. De om en bij de 300 leden van de Liga komen voornamelijk uit de Brusselse vrijzinnige kringen.De Ligue belge du droit des femmes (Belgische Liga voor de Rechten van de Vrouw) protesteert vooral tegen de maritale macht van de man en neemt de bestaande discriminaties in de wetgeving onder vuur. Het vrouwenstemrecht vormt geen prioriteit voor de Liga. Eerst moet de gelijkheid op economisch en juridisch vlak gerealiseerd worden. Echtgenoten moeten op gelijke voet behandeld worden. Op een gematigde manier -de Liga werkt hoofdzakelijk via interne commissies, geeft lezingen en voordrachten- worden economische, morele, educatieve en politieke hervormingen besproken. Sympathiserende parlementsleden zoals Emile Vandervelde en Henri La Fontaine nemen de voorstellen mee naar het parlement. Tijdschrift en spreekbuis van de organisatie is La Ligue. Organe belge du droit des femmes. Onder impuls van de Liga vindt zowel in 1897 als in 1912 een Internationaal Feministisch Congres plaats in Brussel. Het is tijdens dit laatste congres dat een aparte sectie gewijd wordt aan de politieke emancipatie van de vrouw met inbegrip van het vrouwenstemrecht als sociaal recht. Vanaf dan zal ook de Liga zich inzetten voor de verwerving van het vrouwenstemrecht.

Société belge pour l'amélioration du sort de la femme

Van dezelfde orde als de Liga maar uitgesproken vrijzinnig, is de in 1897 opgerichte Belgische Vereniging voor de Verbetering van het Lot van de Vrouw. Ook deze vereniging strijdt voor juridische hervormingen om de gelijkheid van de vrouw wettelijk vast te leggen. Vrouwen moeten toegang kunnen krijgen tot alle beroepen en daarbij evenveel kunnen verdienen als hun mannelijke collega's. Bovendien moeten vrouwelijke loontrekkenden volgens deze vereniging kunnen deelnemen aan de verkiezing van arbeids-, nijverheids- en werkrechtersraden.

Vrouwenbonden tegen het alcoholisme

Twee in 1899 gestichte organisaties richten hun pijlen voornamelijk op het alcoholmisbruik dat volgens de toen geldende opvattingen vooral een kwestie van de arbeiders was. Vrouwen hadden volgens deze verbonden erg te lijden onder de verslaving van hun mannen. Door hen stemrecht te geven, zouden ze invloed kunnen laten gelden op de wetgevende macht om het probleem van de alcoholverslaving aan te pakken. De Alliance des femmes belges contre l'alcoolisme bindt de strijd aan tegen het overmatig alcoholverbruik en staat onder leiding van Marie Parent (1853-1935). Louis Frank, ook actief in de Belgische Liga voor de Rechten van de Vrouw, maakt deel uit van het propagandacomité dat allerlei bewustmakingscampagnes opzet. Er zijn nog wel meer sporen van kruisbestuiving: zo volgt Marie Parent in 1913 Marie Popelin op als voorzitster van de Liga. De Union des femmes belges contre l'alcoolisme wil een wettelijk verbod op het alcoholverbruik goedgekeurd krijgen en is voorstander van volledige onthouding.

Tot de burgerlijk-feministische vrouwenbeweging kunnen nog een aantal andere verenigingen gerekend worden die allen voor de Eerste Wereldoorlog ontstaan:
1899 - Alliance belge des femmes pour la paix par l'éducation
1906 - Gentse Vrouwenbond
1908 - Lyceum: eerste Belgische vrouwenclub, met als leden vrouwen uit de wetenschappen, kunsten & letteren, maatschappelijk werk. Marie Popelin is voorzitster.
1910 - Antwerpse Vrouwenvereeniging
1912 - Union des femmes de Wallonie

De inspanningen van de verschillende organisaties inzake de strijd voor juridische hervormingen beginnen rond de eeuwwisseling hun vruchten af te werpen. Door de wet van 10 februari 1900 wordt het spaarrecht van gehuwde vrouwen erkend. Een maand later kunnen vrouwen arbeidscontracten afsluiten en salarissen innen. Bij wet van 6 april 1908 worden mannen medeverantwoordelijk gesteld voor buitenechtelijke kinderen: de wet heft het verbod op om de vader van zulke kinderen op te sporen.

terug

Socialistisch feminisme

Net als de internationale socialistische beweging, twijfelen de Belgische socialisten lange tijd tussen twee tegenstrijdige standpunten inzake vrouwen. Enerzijds verwerpen zij die beïnvloed worden door Proudhon het recht op vrouwenarbeid. De plaats van de vrouw is in de eerste plaats thuis, aan de haard. De werkende vrouw is volgens de aanhangers van Proudhon de oorzaak van de ongeletterdheid van de bevolking, de zedenverloedering in de fabrieken en meer negatieve kanten van de maatschappij. Bovendien pikken de vrouwen volgens deze theorie met lage lonen het werk van de mannen in. Anderzijds zijn er socialisten die het recht op arbeid voor de vrouw wel verdedigen. Zij beschuldigen niet de vrouw van de misstanden maar leggen de oorzaak bij de mank lopende arbeidsverdeling.

De socialistische vrouwenbeweging ziet de economische bevrijding van de vrouw als een cruciaal punt. Enkel wanneer vrouwen op economisch vlak gelijkberechtigd worden, kan er burgerlijke en sociale vrijheid ontstaan.

In het stichtingsprogramma van de in 1885 opgericht Belgische Werkliedenpartij (BWP) wordt de gelijkheid zonder onderscheid van ras, cultuur of sekse bekrachtigd. Onder impuls van de Gentse socialiste Emilie Claeys (1855-1943) wordt een jaar later de Socialistische Propagandaclub voor Werkvrouwen opgericht die zich meteen aansluit bij de BWP. De Club ijvert voor de financiële onafhankelijkheid van de vrouw, het verwerven van het recht op arbeid en het verkrijgen van ‘gelijk loon voor gelijk werk'. Alleen zo zou de vrouw zich materieel en intellectueel kunnen ontvoogden. Gelijkberechtiging in het gezin, de politiek en op gebied van arbeid en loon zijn het streefdoel. Binnen de BWP laat de Propagandaclub de stem van de vrouw horen. Emilie Claeys zetelt later als eerste vrouw in het bureau van de Algemene Raad van de partij, een positie die ze reeds in 1895 laat staan bij gebrek aan medewerking. Samen met Nellie Van Kol richt ze in 1893 de Hollandsch-Vlaamsche Vrouwenbond op die opkomt voor de gelijke behandeling van de mannen en vrouwen in dezelfde domeinen als de Propagandaclub. Bovendien wordt er gestreefd naar gelijkheid inzake onderwijs en moeten de juridische ongelijkheden weggewerkt worden. De Vrouwenbond verspreidt via haar tijdschrift De Vrouw tips voor geboorteregeling, wat heel wat deining veroorzaakt. 

Vanaf 1900 worden in het spoor van de socialistische vakverenigingen en coöperaties heel wat vrouwenafdelingen opgericht die zich in Gent verenigen in de Gentse Federatie van Vrouwengroepen. Net als het in 1899 in Charleroi gehouden Eerste Socialistisch Feministisch Congres en bij uitbreiding de hele socialistische vrouwenbeweging, blijft de Federatie nauw samenwerken met de socialistische mannenbeweging. In tegenstelling tot de burgerlijk-feministische vrouwenbeweging (denken we maar aan Louis Frank en de Ligue belge du droit des femmes), werden de zaken van de socialistische vrouwen wel meer door de vrouwen zelf behartigd.

Isabelle Gatti de Gamond, reeds actief in het proto-feminisme, wordt op latere leeftijd een hartstochtelijke socialiste. Zij start in 1895 met de uitgave van het tijdschrift Cahier féministes en wordt in 1901 de eerste secretaris van de Nationale Federatie van Socialistische Vrouwen. De Federatie zou een grote rol spelen in de kwestie van het vrouwenstemrecht die voor de eerste wereldoorlog voor grote beroering zorgt in de socialistische beweging en bij de vrouwen in het bijzonder. Rond de eeuwwisseling wordt de strijd om het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen (één man, één stem) gevoerd door een coalitie van liberalen en socialisten. De liberalen vrezen echter dat de macht van de katholieken zal versterken als ook de vrouwen mogen gaan stemmen. Zij hadden immers de naam sterk onder de invloed van de pastoor te staan. Om dat te vermijden, staat het vrouwenstemrecht niet op de agenda van de coalitie. Lalla Vandervelde roept de socialistische vrouwen op zich achter de partij te scharen, hetgeen in 1901 ook gebeurt wanneer de Nationale Federatie beslist de eis tot het vrouwenstemrecht te verdagen. De beslissing stuit op sterk intern verzet. De daaropvolgende jaren plooien de socialistische vrouwen zich terug op het socialisme. Coöperaties, mutualiteiten en vakverenigingen worden belangrijker dan de strijd om het vrouwenstemrecht. Het tijdschrift La femme socialiste, veel gematigder van toon dan Cahiers féministes, symboliseert deze ommezwaai.

terug

Christelijk feminisme

Het christelijk feminisme van de eerste golf is zeer sterk anti-socialistisch. Sociaal-katholieken en christen-democraten willen werk maken van de realisatie van een christelijke samenleving die pas ten volle gerealiseerd kan worden als ook de vrouwen bewust bij de beweging betrokken worden. Om het lot van de vrouw te verbeteren schieten overal in het land mutualiteiten en vrouwensyndicaten uit de grond. Liefdadige adellijke dames en geestelijken liggen niet zelden aan de basis van deze organisaties.

In Gent wordt in 1892 de Anti-socialistische Vrouwenbond opgericht die, zoals de naam het aangeeft, een dam moet opwerpen tegen de opmars van het socialisme. Het initiatief voor deze organisatie gaat uit van de Anti-socialistische Werkliedenbond. Dat vooral mannen en geestelijken zich sterk inlaten met de stichting van christelijke vrouwenorganisaties, wordt geïllustreerd door de Ligue des femmes chrétiennes de Bruxelles, opgericht in 1893 door de jezuïet Van Langermeersch. Vooral mutualiteiten en coöperaties doen het goed. Langs die weg kan er immers concreet iets gedaan worden aan de levensomstandigheden van de arbeidsvrouwen. Het is opnieuw een geestelijke, E.H. Kasseleers, die in 1897 een Antwerpse vrouwenmutualiteit opricht die later samen met andere ziekenkassen verenigd wordt in de zogeheten Mariakrans.

Deze christelijke vrouwenorganisaties blijven van mening dat de eerste taak van de vrouw verbonden blijft met haar gezin. De ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen worden niet in vraag gesteld. De acties richten zich dan ook vooral op het geven van godsdienstig onderricht en het aanbieden van ‘degelijke' ontspanningsmogelijkheden zoals toneelspel en studie. De geestelijke ontwikkeling van de vrouwen wordt aangevuld met een verbetering van de materiële situatie via de oprichting van onder meer ziekenkassen, coöperatieve winkels en spaarkassen. Vele katholieke werken draaien op liefdadigheid van dames uit de adel en de burgerij die zich actief bezighouden met de financiering en werking van de organisaties.

Louise Van den Plas (1877-1967) gaat een stapje verder. In 1902 richt ze samen met volksvertegenwoordiger René Colaert en journalist René Henry Le Féminisme chrétien de Belgique op, een feministische pressiegroep. Argwanend bekeken door de katholieke meerderheid, strijdt de groep voor de juridische gelijkberechtiging van de vrouw, eist ze gelijke arbeidsrechten voor mannen en vrouwen, wil ze het vrouwenstemrecht verwezenlijkt zien en verlangt ze respect voor de zedelijke integriteit van de vrouw. Op het katholiek congres van 1909 in Mechelen kan Louise Van den Plas de ideeën van het christelijk feminisme uiteen zetten. Tekenend voor deze stroming is dat Van den Plas er opkomt voor een verhoging van de vrouwenlonen en beroepskansen voor de ongehuwde vrouw, maar tegelijkertijd benadrukt dat binnen het gezin de man hiërarchisch hoger geplaatst is. De vrouw moet wel meer zeggingsmacht krijgen over haar eigen bezittingen. Of ook gehuwde vrouwen onbeperkt uit werken mogen gaan, blijft een heikel punt. Bij voorkeur blijven ze thuis maar indien ze toch gaan werken, worden er wel beter arbeidsomstandigheden geëist. In 1912 zet Louise Van den Plas samen met Marie Elisabeth Belpaire en parlementslid Cyrille Van Overbergh de schouders onder de Ligue Catholique du Suffrage Féminin die strijdt voor vrouwenstemrecht. De organisatie, een afdeling van Le Féminisme Chrétien, is een antwoord op de nieuwe liberaal-socialistische campagne voor het algemeen enkelvoudig stemrecht. In een poging de katholieke machtspositie te behouden, wordt de eis zowel door conservatieve katholieken als christen-democraten overgenomen.

Ook de christelijke traditie van parochiale vrouwenwerkingen brengt ondertussen twee belangrijke figuren naar voren: Victoire Cappe (1886-1927) en Maria Baers (1883-1959). Maria Baers is actief in de Antwerpse Constance Teichmannsbond, in 1910 opgericht door Marie Elisabeth Belpaire, vrouwelijke exponent van de katholieke Vlaamse beweging. De bond wil burgervrouwen vormen zodat zij op hun beurt leiding zouden kunnen geven aan vrouwen uit de arbeidersklasse en onderschrijft de principes van het christelijk feminisme van Louise Van den Plas. Belpaire is tevens de bezielster van het Belpaire-meisjesinstituut en de Katholieke Vlaamse Hogeschool voor Vrouwen.

Victoire Cappe houdt zich in Luik bezig met de uitbouw van een netwerk van voorzieningen voor werkende vrouwen zoals mutualiteiten en syndicaten. In 1907 ontstaat in Luik bijvoorbeeld L'Aiguille, een vrouwensyndicaat voor naaisters. Baers en Cappe zouden in 1912 de leiding op zich nemen van het pas met de steun van kardinaal Mercier opgerichtte Algemeen Secretariaat der Christene Vrouwenvakverenigingen die de bestaande vrouwengilden en syndicaten zou overkoepelen.

Daarnaast ontstaan vanaf 1906 op het platteland boerinnengilden waarin plattelandsvrouwen zich verenigen. Vanaf 1911 worden ook deze gilden overkoepeld door de Boerinnenbond, een afdeling van de Boerenbond.

terug

Nationale en internationale samenwerking

Grote motor achter het streven naar meer samenwerking in de feministische beweging is opnieuw Marie Popelin. Vanaf 1902 organiseert ze ‘feministische diners' waarop vertegenwoordigers van verschillende feministische organisaties aanwezig zijn. De eerste echte koepelorganisatie wordt opgericht in 1905: de Conseil national des femmes belges (Nationale Vrouwenraad). De grootste inbreng komt van vrijzinnige, burgerlijke organisaties zoals de Ligue belge du droit des femmes, de Société belge pour l'amélioration du sort de la femme en van de Union des femmes belge contre l'alcoolisme. De socialistische en katholieke feministen distanciëren zich van de nieuwe raad. De toon is gematigd. De Nationale Vrouwenraad stelt de Belgische verenigingen in staat internationale contacten te leggen via de Internationale Vrouwenraad en de door deze vereniging georganiseerde vijfjaarlijkse bijeenkomsten. Zoals reeds aangehaald was ook de Ligue belge du droit des femmes internationaal actief: in 1897 en 1912 organiseert deze organisatie een internationaal feministisch congres in Brussel.

terug

Weinig aandacht voor het vrouwenstemrecht

In vergelijking met feministen in andere landen -denken we maar aan de Engelse ‘suffragettes'- waren de Belgische feministen erg braaf in hun eisen in verband met vrouwenstemrecht. Wanneer in 1893 het Algemeen Meervoudig Stemrecht wordt goedgekeurd, geldt de regeling alleen voor mannen. Zoals reeds aangehaald, dringen de burgerlijke en socialistische feministische organisaties niet langer aan op vrouwenstemrecht. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog flakkert de eis echter opnieuw op als gevolg van een in het vooruitzicht gestelde grondwetsherziening. In 1910 is er de Union pour le suffrage des femmes. Even later volgt binnen de Nationale Vrouwenraad een speciale Commissie Vrouwenstemrecht. De in 1912 opgerichte Ligue Catholique du Suffrage féminin wordt een jaar later onder impuls van Jane Brigode en Louise Van den Plas verruimd tot de Fédération belge pour le suffrage des femmes dat de diverse feministische strekkingen probeert te bundelen rond het centrale thema van het vrouwenstemrecht. De oorlog zou kort daarna roet in het eten gooien.

terug

Feministische eisen gefnuikt door de Eerste Wereldoorlog

Het uitbreken van de oorlog in 1914 duwt de feministische strijd naar de achtergrond. De vrouwen plooien zich terug op de hen door de traditie aangeleerde rollen, liefdadigheid wordt het kernbegrip. De Union patriotique des femmes belges, opgericht door Jane Brigode, Louise Van den Plas en Marie Parent is voor wat de vrouwen betreft, de belangrijkste organisatie tijdens de oorlog. Haar werking spitst zich in eerste instantie toe op het aanbieden van verzorgsters, keukenpersoneel of poetsvrouwen aan organisaties die instaan voor de verzorging van gewonden of die actief zijn in de voedselbedeling. Later verwerft ze vooral bekendheid door haar rol als centrum voor werkverschaffing aan, onder meer, naaisters. Verder zet de organisatie een heel netwerk op van thuiswerkende vrouwen die tegen betaling kledingstukken vervaardigen. Verder zijn er tijdens de oorlog heel wat vrouwen actief in het Nationaal Hulp- en Voedingscomité en in het Rode Kruis als verpleegster of hulp in de voedselbedeling. Vrouwen in ballingschap helpen mee in de Engelse en Franse oorlogsindustrie. Na de oorlog zullen nationale heldinnen als Edith Cavell, en Gabrielle Petit geëerd worden voor hun verzetsdaden. Cavell, directrice van een verpleegstersinstituut had tijdens de oorlog meegeholpen met het opzetten van vluchtroutes voor gevangen soldaten. Gabrielle Petit werkte als spionne voor de geallieerde troepen.

terug

Interbellum

Jaren '20: gunstige evolutie op politiek en wettelijk vlak

De inspanningen van de vrouwen tijdens de oorlog leveren na de wapenstilstand geen grotere politieke medezeggenschap op. Partijpolitieke motieven vormen, net als voor 1914, een grote struikelblok: katholieken zijn voor vrouwenstemrecht, liberalen en socialisten tegen. Het compromis dat op 9 mei 1919 uit de bus komt, stelt beide partijen tevreden. Enerzijds krijgen alle mannen van 21 jaar of ouder algemeen enkelvoudig stemrecht, anderzijds wordt het stemrecht in beperkte mate ook aan een beperkte groep vrouwen toegekend (voor wat betreft het parlementair niveau). Oorlogsweduwen, alleenstaande moeders wiens zoon aan het front gesneuveld is en vrouwen die als gevolg van gepleegde verzetsdaden gevangen hebben gezeten, mogen voortaan naar de stembus. Op 7 februari 1921 wordt bepaald dat een verdere toekenning van het kiesrecht aan vrouwen voortaan kan geregeld worden via een gewone wet en niet langer moet gebeuren via de omslachtige procedure van grondwetswijziging. In 1920 verwerven de meerderjarige vrouwen gemeentelijk stemrecht. Op 24 april 1921 trekken ze voor het eerst naar de gemeentelijke stembus. Ook kunnen ze zich voortaan verkiesbaar stellen (gemeente: 1921, provincie: 1921, Kamer: 1920, Senaat: 1921) en wordt hen bij wet van 27 augustus 1921 toegestaan om de functies van burgemeester, schepen, gemeentesecretaris of ontvanger uit te oefenen. Voor gehuwde vrouwen is wel nog de uitdrukkelijke toestemming van de echtgenoot vereist. Na de gemeenteraadsverkiezingen van 1921 worden 196 vrouwen verkozen of 1% van het totaal aantal gemeenteraadsleden. Zes vrouwen worden aangesteld tot burgemeester, dertien vrouwen worden schepen. 146 gemeenten, dit is 5% van alle Belgische gemeenten, tellen één of meerdere vrouwelijke gemeenteraadsleden.

Alhoewel de overgrote meerderheid van de vrouwen niet zelf naar de stembus mag trekken, kunnen ze zich wel verkiesbaar stellen. De eerste vrouw die op die manier via coöptatie in de Senaat -en in het Parlement- kan zetelen is de socialiste Marie Spaak-Janson. Het aantal vrouwelijke parlementariërs zou echter gedurende het hele interbellum zeer laag blijven. Voor de Senaat vermelden we nog, voor de katholieke partij, Maria Baers (1936) en, voor het VNV (Vlaams Nationaal Verbond), Odile Maréchal-Van den Berghe (1936). In de Kamer vinden we vanaf 1936 Isabelle Blume voor de socialisten en Alice Degeer-Adère voor de communisten. Eerder al, in 1929, werd de socialistische Lucie Dejardin verkozen als volksvertegenwoordiger.

Ook op het vlak van de burgerlijke rechten verandert een en ander ten goede voor de vrouwen. Zo kunnen ook vrouwen voortaan advocaat worden. Germaine Cooreman is in 1922-1923 één van de eerste vrouwen die hiervan gebruik maken. Het bedrag dat vrouwen zonder toestemming van hun man van het spaarboekje mogen afhalen, wordt in 1923 opgetrokken. Van en tot hoeveel? Een andere evolutie is dat vrouwen in geval van een scheiding van tafel en bed beschikken over hun volle burgerlijke bekwaamheid zonder dat daarvoor de toestemming van hun man of een rechter nodig is.

terug

Jaren '30: crisis, ook voor de vrouwen

Na de eerste wereldoorlog gaan meer en meer vrouwen buitenshuis werken als gevolg van de toenemende mechanisering en de afname van de mogelijkheden voor huisarbeid. Zowel fabrieksarbeidsters als vrouwen uit de explosief groeiende dienstensector, worden steeds talrijker. Nochtans is vrouwenarbeid nog steeds een zeer omstreden zaak. Thuiswerkende vrouwen staan hoger aangeschreven dan zij die buitenshuis moeten gaan werken. Bovendien is men van mening dat werkende moeders een negatieve invloed hebben op hun kroost. Socialistische verenigingen dringen daarom aan op het geven van een goede vorming aan huisvrouwen en het inrichten van allerlei sociale voorzieningen voor werkenden vrouwen. De katholieke beweging gaat een stap verder. Onder aanvoering van Maria Baers (1883-1959), algemeen secretaris van de christelijke vrouwenbonden, kant ze zich tegen buitenhuisarbeid voor gehuwde vrouwen. De ‘natuurlijke taak' van de vrouw is de rol van echtgenote en moeder. De arbeidende vrouw krijgt het in de jaren '30 ook op wettelijk vlak niet gemakkelijk. Katholiek-liberale regeringen vaardigen discriminerende maatregelen uit. Volgens de wet van 31 mei 1933 wordt het loon van vrouwelijke ambtenaren wiens man ook ambtenaar is, verminderd met 25%. Een jaar later wordt beslist alle staatsbetrekkingen voortaan uitsluitend aan mannen voor te behouden. In 1934 verleent een Koninklijk Besluit aan de minister van Arbeid en Sociale Voorzorg de bevoegdheid om de proportionele verdeling van gehuwde en ongehuwde arbeidsters voor de verschillende industrietakken te bepalen. Twee opeenvolgende wetten, in 1935, verminderen respectievelijk de weddes van vrouwelijke leerkrachten en ambtenaren.

Het feministisch verzet blijft niet uit. De wetten van 1935 worden ongedaan gemaakt maar globaal genomen blijft de regering haar politiek voortzetten. Het protest wordt geleid door de al in 1929 ontstane vereniging Porte Ouverte, een initiatief van Louise De Craene-Van Duuren en onderafdeling van de internationale vereniging Open Door International. In 1934 verschijnt voor de eerste keer het tijdschrift van de organisatie, La travailleuse traquée als reactie op het wetsvoorstel van de katholieke senatoren pater Rutten, Paul Segers en Cyrille Van Overbergh. De senatoren willen via een nieuwe wet vrouwen uitsluiten van mijnarbeid en het werken in ateliers, werkplaatsen en burelen. Stilaan vinden de vrouwen gehoor, onder meer bij eerste minister Paul Van Zeeland aan wie de vrouwenorganisaties in 1935 hun eisen voor recht op vrouwenarbeid bekendmaken. De bijeenkomst leidt tot de installatie van een Commissie voor de Vrouwenarbeid (met o.m. Maria Baers, Isabelle Blume, Georgette Ciselet en Jeanne Emile Vandervelde). Geleidelijk worden de discriminerende maatregelen in verband met vrouwen en arbeid ingetrokken.

terug

Christelijk feminisme

De grote figuur van het christelijke feminisme tijdens het interbellum, is Maria Baers, voorzitster van het Algemeen Secretariaat van de Christelijke Sociale Vrouwenwerken, de opvolger van het Algemeen Secretariaat der Christene Vrouwenvakverenigingen. Deze koepelorganisatie verenigt de verschillende christelijke vakcentrales voor vrouwen, het Nationale Verbond der Vrouwengilden, het Verbond der Studiekringen en de Katholieke Sociale School. Rond dezelfde tijd ontstaat in 1920 de KAV (Katholieke Arbeiders Vrouwen) als socio-culturele vormingsorganisatie voor vrouwen uit de arbeidersklasse. Het Algemeen Secretariaat van de Christelijke Sociale Vrouwenwerken wil van bij de start een onafhankelijke koers varen en een alomvattende vrouwenbeweging zijn. De mutualiteit gaat echter al vlug op in de Christelijke Mutualiteit, de syndicale bezigheden worden overgenomen door het Algemeen Christelijk Vakverbond. De zelfstandigheid waar Maria Baers zo op hamert, blijft behouden, ook wanneer de vereniging in 1924 een samenwerkingsakkoord sluit met het Algemeen Christelijke Werkersverbond (ACW). Vanaf dan mogen KAV-besturen vertegenwoordigers sturen naar het ACW. KAV staat van bij het begin sterk onder de invloed van kerkelijke gezagsdragers, net als de in 1952 opgerichte CMBV of de organisatie van Christelijke Middenstands- en Burgersvrouwen. Het ‘vrouwelijk' deel van de katholieke zuil wordt nog aangevuld met KVLV, een voortzetting van de in 1911 opgerichte Boerinnenbond. Deze organisatie is in haar werking echter heel sterk afhankelijk van de Boerenbond. VKAJ (Vrouwelijke Katholieke ArbeidersJeugd) leidt de jeugd op naar het christelijke voorbeeld. Dat voorbeeld is zeer sterk gericht op de 3K's: keuken, kerk en kinderen. Niet de werkende vrouw, maar de goede huisvrouw en moeder zijn de lichtende voorbeelden van de katholieke vrouwelijke jeugd. De katholieken sluiten zich hiermee aan bij de kerkelijke doctrine die stelt dat mannen en vrouwen elk een eigen taak binnen de maatschappij te vervullen hebben: de vrouw zorgt voor het -kroostrijke- gezin, de man brengt brood op de plank. Het vrouwenstemrecht blijft voor de christelijke vrouwen een strijdpunt. Vooral Louise Van den Plas zet haar strijd voor vrouwenstemrecht voor met Le féminisme chrétien.

terug

De socialistische vrouwenbeweging

Twee grote pijlers ondersteunen de socialistische vrouwenbeweging tijdens het interbellum. Enerzijds zijn er de Socialistische Vrouwen, een vereniging die zich hoofdzakelijk inzet voor het bekomen van gelijke politieke, burgerlijke en economische rechten. De socialistische vrouwen ijveren bovendien in de jaren '20 en '30 voor meer en betere sociale voorzieningen voor de werkende vrouwen: kinderkribben, wasserijen en volkskeukens, maaltijden op school... het zou het leven van de arbeidsvrouw verlichten. Vorming van vrouwen wordt zeer belangrijk geacht. Socialistische vrouwen gaan voordrachten houden, en in 1921 wordt zelfs een school voor propagandisten opgericht. Een jaar later richten de socialisten een organisatie op waarvan door de jaren heen vele honderden vrouwen lid van worden: de Socialistisch Vooruitziende Vrouwen. Zij zijn niet afhankelijk van de Kerk maar wel van socialistische mannenorganisaties. Materiële hulp in de vorm van een mutualiteit wordt gecombineerd met vorming en bewustmaking van de socialistische vrouw. Op politiek gebied wordt vooral de gemeentepolitiek als een goed werkterrein voor de vrouw aanzien. Op gemeentelijk niveau kunnen de vrouwen zich volgens de socialisten perfect buigen over de deelgebieden onderwijs en sociale zaken (kinderwelzijn, sociale huisvesting, inrichting van beroepsonderwijs...). Overigens wordt de gemeente -niet alleen bij de socialisten- gezien als hèt terrein bij uitstek voor de vrouwen. ‘Het gemeentelijke huishouden' wordt immers als een verlengstuk van het gezin beschouwd. De socialisten blijven echter weigerachtig staan tegenover het vrouwenstemrecht. De vrees dat de vrouwen overwegend conservatief zouden stemmen, is te groot.

terug

De liberale vrouwenbeweging

Tijdens het interbellum ontstaan over het hele land liberale vrouwenorganisaties die zowel autonoom kunnen werken als dat ze een afdeling vormden van een bestaande liberale politieke vereniging. In Brussel kent men bijvoorbeeld de Société féminine de l'association libérale de l'arrondissement de Bruxelles en de Vrouwenafdeling van de liberale Vlaamsche volksbond. Net als bij de socialistische vrouwen worden de vrouwenafdelingen aangespoord zich bezig te houden met de ‘zachte' sectoren onderwijs en sociale zaken.

terug

Na de tweede wereldoorlog: eindelijk volwaardig stemrecht

In de periode 1940-1945 worden de vrouweneisen noodgedwongen op een laag pitje gezet. Na de oorlog verwerven de vrouwen met de wet van 27 maart 1948 algemeen stemrecht. In 1949 volgen dan de eerste wetgevende verkiezingen waaraan alle vrouwen mogen deelnemen. Het wordt geen overweldigende overwinning voor de vrouwen: zes vrouwen worden verkozen voor de Kamer, zeven voor de Senaat. Het zou nog tot in 1965 duren vooraleer België een eerste vrouwelijke minister kent: Marguerite de Riemaecker-Legot.

terug

Meer

Aanraders uit de RoSa-bibliotheek

En de vrouwen? Vrouw, vrouwenbeweging en feminisme in België. 1830-1960. De Weerd Denise

Stap voor stap. Geschiedenis van de vrouwenemancipatie in België. Keymolen Denise, Coenen Marie-Thérèse

Uit eigen beweging. Balans van de vrouwenbeweging in Vlaanderen, 1970-1978. Van Mechelen Renée

  • En de vrouwen? Vrouw, vrouwenbeweging en feminisme in België. 1830-1960. De Weerd Denise, 1980 - RoSa ex.nr.: FII m/0062
  • Stap voor stap. Geschiedenis van de vrouwenemancipatie in België. Keymolen Denise, Coenen Marie-Thérèse, 1991 - RoSa ex.nr.: FII m/0222
  • Uit eigen beweging. Balans van de vrouwenbeweging in Vlaanderen, 1970-1978. Van Mechelen Renée, 1979 - RoSa ex.nr.: FII a/0105
  • Tien vrouwen in de politiek. De gemeenteraadsverkiezingen van 1921. Gesquière Ilse, Jacques Catherine en Marissal Claudine, 1994 - RoSa ex.nr.: FII b/0257
  • Een vrouw, een stem. Een tentoonstelling over de vrouw en stemrecht in België 1789-1948, 1996 - RoSa ex.nr.: V3/0189
  • Politiek en feminisme. Gijpen Marit. In: Cherchez la femme. Een wandeling door de geschiedenis van de vrouw in Brussel. RoSa, 1999

  • Les insoumises. Les pionnières belges de la libération de la femme. Gérard Isabelle, 1986 - RoSa ex.nr.: FII m/0132
  • Du politique au politique. Parcours du féminisme belge (1830-1914). Gubin Eliane. In : Moors Hans (ed). Fabrics of feminism. Comparative analysis of 19th century gender discours in Belgium and the Netherlands. Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, overdruk, nr. 77, 1999, 370-382
  • Louise Van den Plas en Maria Baers: Een eigen engagement in de vrouwenbeweging. Catalogus bij de tentoonstelling in de Centrale Bibliotheek van de K.U.Leuven. Leuven:  1990 
  • Femmes en Belgique XIXe-XXe siècles. Peemans-Poullet Hedwige. Brussel : Université des Femmes, 1991
  • Zoé Gatti de Gamond (1806-1854), ou les premières avancées féministes ? Piette Valérie. In : Moors Hans (ed). Fabrics of feminism. Comparative analysis of 19th century gender discours in Belgium and the Netherlands. Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, overdruk, nr. 77, 1999, 402-415

zoek verder in de RoSa-catalogus

Gebruik het trefwoord eerste feministische golf.
Grote namen kunnen ook als trefwoord gebruikt worden.

Link naar de RoSa-catalogus.