Lewis beargumenteert in haar manifest dat de familie, en specifiek het gezin, een sociaal systeem is dat we als ‘natuurlijk’ beschouwen en te weinig kritisch bevragen. Het volgt volgens de auteur echter een economische, kapitalistische logica die een onderscheid maakt tussen betaalde arbeid en onbetaalde zorgarbeid. Volgens haar fungeert het bovendien als een systeem voor de reproductie van arbeidskrachten. Daarnaast vormt het ook een legale entiteit: het genereert ‘eigendomsrecht’ voor ouders over het kind en voor het kind over familiale middelen. Belastingen, uitkeringen, testamenten, akten, pensioenen, hypotheken en zelfs gezinswoningen vormen zo als het ware instrumenten en betekenisgevers van de familie.
Deze kapitalistische logica vormt ook een van de belangrijkste argumenten van de auteur om de familie als sociaal systeem kritisch te bevragen: het zorgt volgens Lewis voor isolement, individualisering van zorg en privatisering van financiële middelen (en schulden) binnen dit microsysteem.
Heel wat mensen wonen alleen of in alternatieve woonvormen, zoals cohousing of gemeenschapswonen. Hoewel de familie, en specifiek het (kern)gezin, niet aansluit bij de geleefde werkelijkheid van veel mensen, blijft het als bestuurlijk, economisch en cultureel systeem dominant: het staat centraal en niemand kan eraan ontsnappen. Zelfs wanneer we ons leven individueel anders inrichten, blijft het structureel de norm. Lewis besluit dan ook:
Na deze kritische filering van de familie als kapitalistisch microsysteem ziet Lewis slechts één oplossing: het volledig opheffen van de familie, zodat huishoudens vrij, democratisch en solidair kunnen worden georganiseerd. Centraal staat daarbij een overvloed aan liefde, zorg, gemeenschap en onderlinge afhankelijkheid die verder reikt dan bloedverwantschap. Over de term ‘abolishment’ zegt ze het volgende:
Volgens Sophie Lewis is dit idee geen aanslag op de familie of tegenstrijdig met de liefde voor je familie. Integendeel: het stelt liefde net centraal. Volgens haar is het systeem echter te beperkend en staat het als dominante wijze van organisatie in de weg van andere, volgens Lewis betere, manieren om de samenleving te organiseren.
Lewis stelt in hoofdstuk 2 dat het verbreden of verruimen van de huidige invulling van familie (expand, extend) of alternatieve verbanden (zoals queer families, families van niet-bloedverwanten en intergenerationele families) onvoldoende zijn omdat ze het centrale idee van familie niet in vraag stellen. Volgens de auteur is er dan ook nood aan revolutionair en utopisch denken.
Vervolgens schetst de auteur de geschiedenis van familie-abolitionisme. Ze is daarbij aandachtig voor de koloniale geschiedenis van de familie als sociale structuur (p. 40) en legt de link met communistische, feministische en queer bewegingen en belangrijke denkers in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, hun ideeën en de manier waarop verschillende vormen van systeemkritiek met elkaar verbonden zijn (p.36-74). Tot slot zoomt ze in op de herleving van het gedachtengoed sinds 2015 en de relevantie ervan in periodes van crisis - zoals het beleid rond de COVID-19-pandemie - dat hyperindividualisering versterkte en de familie centraal stelde.
Hoewel Lewis in bovenstaande quote de nood omschrijft aan verbeelding over wat dit kan betekenen in de praktijk, biedt het boek weinig handvatten. De eerste hoofdstukken maken duidelijk waartegen de auteur zich verzet en waarom het opheffen van de familie volgens Lewis noodzakelijk is. Ook de historische context en de compacte samenvatting zijn sterk uitgewerkt. Het manifest biedt echter weinig concrete antwoorden op de vraag hoe een alternatief eruit zou kunnen zien. Op verschillende momenten krijg je de indruk dat je inzicht gaat krijgen in wat dit dan in de praktijk kan betekenen, om vervolgens opnieuw ondergedompeld te worden in kritiek op de huidige realiteit, het belang van het opheffen (abolition) van dit systeem, en de ideologische kernideeën die de basis moeten vormen voor het alternatief.
In het laatste hoofdstuk geeft Lewis zelf aan dat het antwoord ‘verrassend complex’ is en we nood hebben aan nieuwe concepten, woordenschat en het herdenken van structuren. Daarbij quote ze ter inspiratie soms andere denkers, maar waagt ze zich niet aan invullingen of antwoorden waardoor haar toekomstvisie weinig concreet blijft en het manifest aan daadkracht inboet. Ook de slotzin van het werk biedt weinig overtuigingskracht of optimisme: “I don’t know how to desire it fully, but I can’t wait to see what comes after the family. I also know I probably won’t see whatever it is. Still, I hope it happens, and I hope it is glorious and abundant nothing.” (p.88). Daardoor leest het werk eerder als een antithese dan als een manifest.