De Amerikaanse academicus en auteur Jack Halberstam (°1961) groeit op in het Engelse Nottingham en emigreert voor zijn studies naar de Verenigde Staten. Daar werkt hij nog steeds als professor in genderstudies en Engels aan de Universiteit van Columbia. Dat hij als zoekende tiener de subculturen van het ruwe Nottingham opzocht, blijkt een blijvende invloed te hebben op zijn werk. Zijn academisch onderzoek focust zich onder meer op populaire cultuur en subculturen, film-, media- en visuele studies, gender, seksualiteit en queer theorie. Halberstams werk sluit aan bij de traditie van cultural studies: hij maakt geen strikt onderscheid tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur en combineert analyse van populaire cultuur met kritische theorie.
Halberstam verzet zich tegen nodeloos ingewikkelde academische taal.
Geïnspireerd door de Jamaicaans-Britse cultuurtheoreticus Stuart Hall, ijvert Halberstam zodoende voor wat hij ‘low theory’ noemt: een toegankelijke vorm van theorievorming die verschillende registers van spreken samenbrengt. Zelf zegt hij daarover: “Het zijn het soort dingen waardoor men mij als oppervlakkig of frivool bestempelt, omdat ik in één alinea van Chicken Run naar Spivak spring.”
Diezelfde strategie past Halberstam ook toe in The Queer Art of Failure (2011). In dat boek gaat hij op zoek naar alternatieven voor de gangbare ideeën van succes in een heteronormatieve en kapitalistische samenleving. Door voortdurend te schakelen tussen ‘hoge’ en ‘lage’ theorie en cultuur, zoekt Halberstam naar het onverwachte en subversieve inzichten, onder meer in animatiefilms zoals Fantastic Mr. Fox (2009). In een lezing in 2016 beschrijft hij hoe falen soms leidt tot meer creatieve manieren van in de wereld staan:
In 1998 publiceert Halberstam zijn bekendste werk Female Masculinity. Daarin onderzoekt hij hoe vrouwelijke mannelijkheid gangbare ideeën over mannelijkheid en strikte genderrollen kan uitdagen. Halberstam bevraagt hiermee de hardnekkige koppeling van mannelijkheid met man-zijn.
Hoewel enkele jaren eerder Judith Butlers baanbrekende Gender Trouble (1990) verscheen, ziet Halberstam een aanhoudend hiaat in feministische theorie: er is nog steeds weinig concrete en kritische aandacht voor mensen die mannelijkheid op een andere manier invullen. Hij beschrijft hoe hij Butlers werk, ondanks het abstracte karakter, meteen las als een reflectie op vrouwelijke mannelijkheid. Toch leidde het boek volgens hem niet vanzelf tot die lezing: “In het poststructuralistische tijdperk dat Butler inluidde, vond ik het vreemd dat de categorie vrouwelijkheid ter discussie werd gesteld zonder dat het onderwerp mannelijkheid aan de orde kwam.”
In die context besluit Halberstam te schrijven over vormen van vrouwelijkheid die buiten een veralgemenend beeld van ‘de vrouw’ vallen: female masculinities. Hij wijst daarbij zowel op de spanningen tussen verschillende genderidentiteiten en de dominante feministische politiek van dat moment, als op het belang van voortbouwen op een lange feministische traditie die onze interpretatie van lichamen als ideologisch - dus maatschappelijk gekleurd - interpreteert.
Voor het uitwerken van een taal en geschiedenis rond vrouwelijke mannelijkheid laat Halberstam zich onder meer inspireren door Esther Newtons Mother Camp (1972): “Ze schreef over gendervariaties op een manier die leesbaar en duidelijk was, maar die niet werd opgepikt.” Halberstam toont hoe vrouwelijke mannelijkheid doorheen de geschiedenis aanwezig is en schuift ze naar voren als een reële en historische mogelijkheid, een alternatief voor dominante beelden van mannelijkheid. Hij verwijst daarbij naar het werk van queer kunstenaars Catherine Opie en Del Grace, die via hun portretfoto’s gendernormen bevragen, maar ook naar een kritische lezing van de James Bond-film Golden Eye (1995).
Hieruit vloeit Halberstams voorstel om een verbeelding te ontwikkelen die mannelijkheid loskoppelt van mannen. Volgens Halberstam is het noodzakelijk om mannelijkheid los te koppelen van vanzelfsprekende aannames over man-zijn, om zo de maatschappelijk dominante, vaak witte en mannelijke norm te deconstrueren en ruimte te maken voor andere vormen van mannelijkheid.
Halberstam, wiens identiteit als trans man sterk vorm kreeg in verhouding tot die van lesbische vrouw, benadrukt zelf de nood aan een bredere verbeelding:
Halberstam wijst erop dat mannelijkheid bij jonge meisjes - de ‘tomboy’ - nog enigszins wordt getolereerd, maar geproblematiseerd wordt wanneer zij de puberteit bereiken. Daardoor ontstaat een leemte waarin masculiniteiten van volwassen vrouwen worden gemarginaliseerd, gepathologiseerd en ontkend, aldus Halberstam.
Dat in een strikte categorisering het oordeel ‘monsterlijk’ nooit veraf ligt, loopt als rode draad door Halberstams werk, al sinds zijn eerste boek Skin Shows: Gothic Horror and the Technology of Monsters (1995).
In Wild Things: The Disorder of Desire (2020) werkt hij het idee van ‘wildheid’ verder uit als een ongeremde manier van lichamelijkheid en belichaming, van bestaan en denken, los van vaste categorieën. Hij plaatst wildheid naast queerness en merkt op dat “queer een vrij recente oorsprong heeft, terwijl wild een veel langere geschiedenis heeft die teruggaat tot de middeleeuwen en vele verschillende verzamelingen, mensen, dingen en dieren omvat.” Halberstam onderzoekt of de term ‘wild’ opnieuw kan worden toegeëigend binnen een post-queer en post-natuurlijke visie op lichamen die zich niet gemakkelijk laten lezen of classificeren. Daarbij benadrukt hij het belang van het omarmen van tegenstrijdigheid en chaos: een vorm van ‘unworlding’, het loslaten van bestaande wereldbeelden, eerder dan ‘worlding’.
Vanuit die kritische positie onderstreept Halberstam het actuele en politieke belang van onderzoek en theorievorming: “We moeten ons bezighouden met tegenideologieën, omdat ideologieën op een zeer onzichtbare manier hun werk doen in de cultuur waarin we leven.” Of zoals hij zelf besluit: “Voor mij is theorie een methode om nieuwe manieren van denken te ontsluiten (...) om een aantal vastgeroeste denkpatronen te doorbreken. Daarom hebben we theoretische projecten binnen het feminisme nodig: het is niet genoeg om alleen maar naar dingen te wijzen en te zeggen dat ze verkeerd of slecht zijn. Willen we uiteindelijk niet ook anders gaan denken?”