20.11 | Zelfbeschikking bij zwangeren onder druk

RoSa vzw biedt elke twee weken een genderperspectief op actuele of onderbelichte thema’s. Deze week onderzoeken we het spanningsveld tussen zwangerschap en moederschap enerzijds, en kinderrechten anderzijds.

Gepubliceerd op 20/11/2025

In oktober keurde de Vlaamse regering het nieuwe masterplan jeugdhulp van minister Caroline Gennez (Vooruit) goed. Een van de pijlers van het plan is “kinderen beschermen nog vóór hun geboorte”. Om dat mogelijk te maken, zouden ongeboren kinderen door een rechter onder toezicht kunnen worden geplaatst wanneer een zwangere in een verontrustende situatie verkeert en hulp weigert. Volgens Gennez is het een ultieme maatregel, bedoeld om het belang van het kind centraal te stellen. Ze verwijst naar situaties waarin een zwangere verslaafd is, psychische problemen heeft of slachtoffer is van partnergeweld.

Hulpverleners – zoals vroedkundigen, gynaecologen, CAW- of OCMW-medewerkers – zouden verplicht worden melding te maken als zij in contact komen te staan met zwangeren in een verontrustende situatie. Een rechter zou die vervolgens kunnen verplichten tot het accepteren van hulp, opname of medische onderzoeken, en zelfs beslissen dat het kind na de geboorte onmiddellijk wordt geplaatst.

Tussen zorg en controle

De maatregel roept fundamentele vragen op: wie wordt hier beschermd – en tegen wie? De foetus en de zwangere persoon zijn fysiek onlosmakelijk verbonden. Toezicht op de ene betekent automatisch toezicht op de ander. Met andere woorden: deze maatregel om baby’s te beschermen, leidt er in de praktijk toe dat ook het lichaam van de zwangere onder toezicht komt te staan. Verplicht een rechter iemand tot opname of medische onderzoeken, dan wordt er rechtstreeks ingegrepen in diens lichamelijke integriteit. Onder meer Vrouwenraad plaatst daar kanttekeningen bij.

In Nederland werd er in 2024 toestemming gegeven voor een gedwongen keizersnede omwille van “de bescherming van het ongeboren kind”. Vrouwenraad verwijst naar die zaak als voorbeeld van hoe snel een juridische maatregel kan ontaarden in een inbreuk op lichamelijke integriteit en daarmee op iemands onvervreemdbare mensenrechten.

Critici wijzen er bovendien op dat kwetsbare ouders (in spe) in de eerste plaats nood hebben aan ondersteuning van diensten die ze kunnen vertrouwen. Dwangmaatregelen kunnen een averechts effect hebben en net leiden tot zorgmijding: (toekomstige) ouders vermijden vroedkundigen, gynaecologen of ziekenhuizen uit angst voor justitie. Daardoor verdwijnen zij – én hun ongeboren kind – uit beeld.

Een nieuw plan, een oud spanningsveld

Dit is niet de eerste keer dat zulke maatregelen in Vlaanderen op tafel liggen. In 2021 stelde Vooruit-voorzitter Conner Rousseau voor om rechters de macht te geven een baby vanaf de geboorte bij een verslaafde moeder weg te nemen. “Als het eerste kind niet veilig opgevoed kan worden, waarom zou het dan beter gaan met het tweede kind? In extreme gevallen moet de baby vanaf de geboorte bij de ouders weggenomen kunnen worden,” zei Rousseau toen.

Ook toen laaide het debat op over hoe ver de overheid mag gaan in het controleren van vrouwenlichamen om ongeboren kinderen te beschermen. Geschiedkundige Noëmi Willemen (UCLouvain) wees er destijds in een interview met RoSa op dat de samenleving veel verwacht van moeders, maar steeds minder steun biedt.

De erfenis van gedwongen afstand

Het debat over het al dan niet onder toezicht plaatsen van ongeboren kinderen, gaat nog verder terug. In een opiniestuk in De Standaard herinneren geadopteerden en onderzoekers aan de trauma’s van gedwongen afstand en adoptie. Tot in de jaren 1990 werden in België meisjes en vrouwen die als “ongeschikt” werden beschouwd, verplicht hun baby af te staan. In katholieke instellingen werden ze tijdens de bevalling vaak vastgebonden of geblinddoekt.

Ook recenter kwamen er nog dossiers aan het licht waarin moeders onmiddellijk na de bevalling hun baby moesten afstaan na een “ouderschapscompetentietest”. De auteurs noemen een vrouw uit Groenland die eerder dit jaar in Denemarken haar baby één uur na de bevalling moest afstaan, nadat ze zogenaamd negatief getest was op “ouderschapsbekwaamheid”. Die testen zijn echter verboden voor gezinnen met een Groenlandse achtergrond, omdat ze onvoldoende rekening zouden houden met de specifieke cultuur van de minderheidsgroep in het land. In Denemarken groeit 7% van de kinderen met Groenlandse ouders op in de jeugdzorg.

Tussen 2004 en 2019 leidde in Nederland de zogenaamde toeslagenaffaire ertoe dat ouders verkeerdelijk werden aangewezen als profiteurs en “slechte” ouders, waarna hun kinderen in pleeggezinnen werden geplaatst. Het zou gaan om zo’n 3.000 kinderen. Een commissie die de gevolgen van die uithuisplaatsingen onderzocht, concludeerde dat kinderen tot op de dag van vandaag kampen met de gevolgen van de uithuisplaatsing.

De auteurs van een opiniestuk in De Standaard waarschuwen dat Gennez’ voorstel in Vlaanderen de deur openzet naar nieuwe vormen van gedwongen scheiding van moeder en kind, vooral in situaties waarin hulpverlening tekortschiet. Volgens hen kan het vaag geformuleerde begrip “verontrustende situatie” gemakkelijk worden opgerekt, zeker wanneer er politieke druk bestaat om de jeugdzorg efficiënter te maken. Daarnaast wijzen de ondertekenaars erop dat in Vlaanderen transnationale adoptie (tijdelijk) stopgezet is vanwege wantoestanden bij adoptiediensten. Ze vrezen dat de honderden wensouders die op wachtlijsten staan, zullen worden geheroriënteerd naar binnenlandse pleegzorg en adoptie, waardoor er volgens hen druk zal ontstaan om baby’s te laten vrijkomen voor langdurige pleegzorg en adoptie. Zo zou het decreet in de praktijk kunnen leiden tot snellere uithuisplaatsingen en flexibele interpretaties van ouderlijke geschiktheid.

Het opiniestuk beklemtoont dat kinderen zelf hun biologische ouders vaak willen kennen, en dat de psychologische wonden van gedwongen scheiding generaties lang blijven nazinderen:

Wie geldt als “goede moeder”?

Achter het pleidooi voor bescherming schuilt een diep verankerd moederschapsideaal. Daarin is de “goede moeder” zorgzaam, emotioneel stabiel, financieel zeker, gezond, héél vaak wit, en ingebed in een middenklassegezin. Wie niet in dat beeld past – vrouwen in armoede, vrouwen met een verslaving, alleenstaande moeders, migrantenmoeders, moeders die psychische kwetsbaarheid kennen – wordt al snel gezien als een “risicomoeder”. Niet iemand die ondersteuning nodig heeft, maar iemand die moet worden gecorrigeerd. Dat dit ideaal hardnekkig is, bewijst de geschiedenis.

Beleid en zorgsystemen hebben door de jaren heen grote invloed gehad op wie geschikt wordt beschouwd om kinderen te krijgen en op te voeden. Historisch onderzoek toont aan dat ongehuwde vrouwen in de tweede helft van de twintigste eeuw vaak onder maatschappelijke en institutionele druk stonden om hun baby af te staan. In Vlaanderen wordt dit bevestigd door getuigenissen in de podcast Kinderen van de Kerk en door het onderzoek naar adoptie- en afstandspraktijken, waarin vrouwen aangeven dat hun toestemming vaak niet vrijwillig was. Ook internationaal is dit patroon uitvoerig gedocumenteerd: in Groot-Brittannië en Australië erkenden overheden dat duizenden ongehuwde moeders onder dwang of morele druk hun kind afstonden.

Ook lesbische vrouwen en andere niet-heteroseksuele ouders werden lange tijd als “ongeschikt” beschouwd. In internationale context verloren lesbische moeders tot in de jaren tachtig geregeld het hoederecht, omdat hun identiteit niet als kindvriendelijk werd gezien. In Italië werd de niet-biologische ouder in lesbische koppels bijvoorbeeld nog maar in 2023 geschrapt van de geboorteakte, een beslissing die internationaal op veel kritiek kon rekenen en in 2025 werd teruggedraaid. Vlaamse en Nederlandse studies over regenbooggezinnen en adoptie tonen dan weer aan dat seksuele minderheden structureel gestigmatiseerd werden en nog steeds te maken hebben met vooroordelen in hulpverlening.

Daarnaast wijzen onderzoeken over opvoeding in gezinnen met een migratiegeschiedenis erop dat moeders voortdurend onder extra maatschappelijke en institutionele aandacht staan. Beleidsdocumenten zoals Opvoeden in niet-westerse gezinnen (Agentschap Opgroeien, 2023) en de publicatie Opvoeding en opvoedingsondersteuning bij gezinnen met een migratiegeschiedenis (Vlaamse overheid, 2012) tonen hoe opvoeding binnen gezinnen met een migratieachtergrond vaak door de bril van de dominante Vlaamse normen wordt bekeken. Beide rapporten signaleren dat professionals in de jeugdzorg en opvoedingsondersteuning niet altijd voldoende intercultureel zijn opgeleid, waardoor opvoedingspraktijken van gezinnen met een migratieachtergrond sneller als “problematisch” of “risicovol” kunnen worden geïnterpreteerd. Ze wijzen op een spanning tussen zorg en controle: ouders ervaren soms dat ze zich extra moeten verantwoorden voor hun opvoedingsstijl of gezinsstructuur om als “goede ouder” te worden erkend.

Ook Europese projecten zoals Taalbubbels+ (2024) onderstrepen dat moeders met een migratieachtergrond in België niet alleen geconfronteerd worden met taal- en toegangsdrempels, maar ook met impliciete verwachtingen om hun opvoeding aan te passen aan wat als “normaal” of “correct” wordt beschouwd. Het project probeert precies die ongelijkheid te verkleinen door inclusieve taal- en opvoedingsondersteuning te bieden die uitgaat van vertrouwen in plaats van toezicht.

Feministische geschiedkundigen en sociologen beschrijven deze mechanismen als vormen van reproductieve regulering: beleid, zorgpraktijken en maatschappelijke normen die bepalen wie mag voortbrengen en opvoeden, en wie als afwijkend of ongeschikt wordt beschouwd.

Wat zegt de wet?

Mag er volgens de wet eigenlijk ingegrepen worden in het leven en lichaam van een zwangere persoon omwille van het kind? In haar dossier Prenatale rechtsbescherming – Juridische grenzen en maatschappelijke risico’s legt Vrouwenraad uit waarom de maatregel juridisch problematisch is. Zowel het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (art. 8) als de Belgische Grondwet (art. 22) garanderen het recht op privé- en gezinsleven – en dat geldt ook tijdens de zwangerschap. Daarnaast hebben patiënten het recht om hun zorgverlener vrij te kiezen, om enkel met geïnformeerde toestemming behandeld te worden en om elke medische tussenkomst te weigeren.

Een maatregel die ingrijpt op het lichaam of leven van een zwangere persoon raakt dus direct aan diens fysieke en psychische integriteit. Vrouwenraad benadrukt dat gedwongen observatie, verplichte behandeling of vrijheidsberoving tijdens de zwangerschap in strijd is met deze grondrechten. Ook het beroepsgeheim van zorgverleners moet hierbij worden gerespecteerd: informatie mag enkel worden gedeeld in een noodsituatie, en dat is strikt genomen pas het geval bij of na de bevalling.

Het argument dat het ongeboren leven zelf juridische rechten zou hebben, houdt volgens Vrouwenraad geen stand. Een embryo of foetus is geen juridisch persoon met eigen rechten. Een maatregel ter bescherming kan daarom alleen worden gemotiveerd vanuit het algemeen belang, niet uit naam van het kind. Bovendien bestaat er voor de geboorte nog geen juridisch ouderschap. Een rechter die tijdens de zwangerschap ingrijpt, grijpt dus in op het lichaam van iemand die juridisch nog geen ouder is van een bestaand kind.

Zo dreigt de overheid een gevaarlijk precedent te scheppen waarin zwangerschap op zich een reden wordt voor rechterlijke inmenging. Daarmee zouden zwangeren een aparte categorie worden, met minder rechten dan andere burgers. Voor Vrouwenraad is dat onaanvaardbaar: mensenrechten en lichamelijke autonomie gelden altijd – ook tijdens de zwangerschap.

Investeren in vrouwen en kinderen

Vrouwenraad benadrukt in haar dossier dat het anders kan en deelt onder meer deze aanbevelingen:

  • Versterk en breid vrijwillige hulpverlening uit, zodat zwangere personen tijdig en laagdrempelig ondersteuning krijgen.

  • Investeer structureel in residentiële opvangplaatsen voor zwangeren met een verslaving.

  • Onderzoek en actualiseer gegevens over alcohol- en druggebruik tijdens de zwangerschap.

  • Verminder drempels binnen de geestelijke gezondheidszorg, zoals taalvereisten, zodat ook anderstalige vrouwen toegang hebben tot zorg.

  • Koppel detectie aan zorg, niet aan controle: als een hulpverlener een probleem signaleert, moet er effectief hulp beschikbaar zijn.

Het uitgangspunt daarbij is vertrouwen in plaats van wantrouwen. Een samenleving die echt het belang van kinderen vooropstelt, investeert in de mensen die hen dragen, baren en grootbrengen.

Bron afbeelding: Raymart Arniño op Unsplash

#RoSaschrijft #Nieuwsbrief #Perspectief #Zwangerschap #Moederschap #Gender #Beleid #Ouderschap #Zelfbeschikking #Vlaanderen #Wereldwijd

Op de hoogte blijven van RoSa thema's en actua?

Ontvang onze tweewekelijkse Pers:pectief waarin we een actueel of onderbelicht thema bespreken vanuit een genderperspectief, of kies voor onze driemaandelijkse Uitgelezen met tal van boekrecensies, interviews, de nieuwste aanwinsten in onze almaar groeiende collectie en nog veel meer, telkens rond één specifiek thema.