RoSa vzw biedt elke twee weken een genderperspectief op actuele of onderbelichte thema’s. Deze week staan we stil bij de geplande pensioenhervorming van de regering-De Wever en hoe deze bijdraagt aan de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen. Hoe staat het in België gesteld met de pensioendiscriminatie, en hoe worden vrouwen disproportioneel getroffen door het nieuwe pensioenakkoord?
Gepubliceerd op 07/05/2026

De pensioenhervorming van de regering-De Wever zorgt al sinds begin dit jaar voor heel wat opschudding. Op 28 april kreeg het voorstel, na meer dan honderd amendementen en heel wat vertraging, groen licht in de Kamercommissie Sociale Zaken. Daarmee is een volgende stap gezet richting goedkeuring in de plenaire vergadering en wordt het onwaarschijnlijk dat de hervorming nog grondig bijgestuurd wordt.
Na de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd is het pensioenakkoord de tweede grote sociaaleconomische hervorming van de regering-De Wever. Vrouwenorganisaties en vakbonden uiten sterke kritiek op wat zij beschouwen als een “discriminerende pensioenhervorming”. Het akkoord zou onvoldoende rekening houden met de realiteit dat vrouwen vaker deeltijds werken, meer zorgtaken opnemen en vaker hun loopbaan onderbreken. Zo wordt de ongelijke positie van vrouwen op de arbeidsmarkt doorgetrokken naar de pensioenregeling en krijgen vrouwen moeilijker toegang tot het vervroegd pensioen.
In een scherp advies waarschuwt ook de Raad van State dat er sprake is van indirecte discriminatie: verschillende maatregelen treffen vrouwen harder dan mannen. Zo vergroot de hervorming de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen. Ook het federaal Planbureau berekent dat de hervorming de pensioenkloof én het armoederisico van vrouwen vergroot.
Desondanks houdt de regering bij monde van minister van Pensioenen Jan Jambon (N-VA) vol dat de hervorming vrouwen niet zou viseren maar aanstuurt op een bredere mentaliteitswijziging. Volgens Jambon zullen vrouwen immers “rekening houden met de spelregels en er zich aan aanpassen om tot een pensioen te komen dat vergelijkbaar is met mannen”. Dat vrouwen in de toekomst meer zullen werken, noemt de Raad van State echter “hypothetisch” en een “onvoldoende” argumentatie. De hervorming werkt bovendien ook retroactief: veel vrouwen die bijna met pensioen gaan, zien de impact van eerdere loopbaankeuzes anders uitvallen dan verwacht. Zij maakten destijds keuzes, vaak in het belang van het gezin, om minder of deeltijds te werken op basis van de geldende regels, maar worden nu aan het einde van hun loopbaan geconfronteerd met nieuwe spelregels.
Voor we de maatregelen van de pensioenhervorming onder de loep nemen, staan we eerst kort stil bij de pensioenkloof in België: hoe groot is die en hoe ontstaat deze vorm van discriminatie?
In 2024 kregen vrouwen gemiddeld 31% minder pensioen dan mannen. Hoewel de kloof sinds 2015 met ruim 3% kromp, is dit geen uitschieter. Tussen 2019 en 2024 bedroeg de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen gemiddeld 29%. Met een gemiddelde kloof in de OESO-landen van 23%, behoort België nog steeds tot de vijf EU-landen met de hoogste gemiddelde genderpensioenkloof.

Mannen die met pensioen gaan ontvangen dus gemiddeld een kwart meer pensioen dan vrouwen. Volgens cijfers van PensionStat ontvangen zeven op de tien vrouwen die recent met pensioen gingen een bruto rustpensioen van minder dan 2.000 euro per maand. Meer dan de helft moet het zelfs stellen met minder dan 1.500 euro bruto. Bij mannen zien we het omgekeerde: daar ontvangt meer dan de helft een bruto rustpensioen van minstens 2.000 euro.
Sociaaleconomische ongelijkheid tussen mannen en vrouwen ontstaat niet bij de pensionering. Volgens het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen (IGVM) worden pensioenverschillen beter beschouwd als een indicator van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen doorheen hun levensloop en gemeten over meerdere decennia. Pensioenen zijn immers het resultaat van een complex samenspel van verschillende factoren, zoals de lengte van de arbeidsloopbaan, het inkomen, niet-gewerkte perioden, de opname van zorgactiviteiten, enzovoort. Deze factoren hangen op hun beurt nauw samen met genderstereotypen en gegenderde rolpatronen in opleiding, beroepskeuze, en verdeling van zorgtaken (binnen) het gezin.
Tijdens hun loopbaan stoten vrouwen op structurele ongelijkheden in de arbeidsmarkt die ervoor zorgen dat ze op latere leeftijd pensioensdiscriminatie ervaren. De voornaamste oorzaak van de pensioenkloof is dat vrouwen oververtegenwoordigd zijn in de deeltijdse tewerkstelling en vaker (onvrijwillig) werkloos zijn. Pensioenrechten worden immers opgebouwd op basis van het loon en het aantal gewerkte dagen. Wie minder werkt, bouwt dus minder pensioenrechten op. Het effect van deeltijds werk op de berekening van het pensioen is echter complex en wordt hieronder uitvoerig besproken.
Naast deeltijds werk, wordt de pensioenkloof gevoed door drie elementen:
Loonkloof: het pensioen wordt deels berekend op basis van het loon, waardoor de loonkloof zich weerspiegelt in een verschil in pensioen. De loonkloof gecorrigeerd naar arbeidsduur bedraagt volgens cijfers uit 2025 nog steeds 7%. Kijken we naar de totale sociaaleconomische realiteit, dan loopt de niet-gecorrigeerde loonkloof op tot 19,5%.
Aanvullend pensioen: het aanvullend pensioen is een extra pensioen bovenop het wettelijk pensioen, dat wordt gefinancierd door de werkgever en doorgaans eenmalig uitbetaald bij pensionering. Vrouwen hebben veel minder vaak toegang tot dit aanvullend pensioen. 66% van de mannen bouwt een aanvullend pensioen op, tegenover minder dan de helft van de vrouwen. Mannen verzamelen daarbij gemiddeld bijna 90.000 euro aan aanvullend pensioen, terwijl vrouwen slechts 42.000 euro aanvullend pensioen opbouwen. De pensioenkloof voor het aanvullend pensioen bedraagt dus 53%.
Gezinspensioen: het gezinspensioen is een verhoogd pensioen (ongeveer 25% hoger dan het alleenstaandenpensioen) uitgekeerd aan iemand wiens echtgenoot geen of onvoldoende pensioen ontvangt. Het gezinspensioen wordt omwille van historische redenen (het traditionele kostwinnersmodel) bijna uitsluitend toegekend aan mannen (98,7%). De financiële afhankelijkheid van vrouwen die niet of onvoldoende werkten wordt dus ook tijdens het pensioen bestendigd.
Op 6 maart zet de federale regering het licht op groen voor de pensioenhervorming. Sindsdien buigt men zich in de Kamercommissie Sociale Zaken over de wettekst, waar de plannen op kritiek botsen van zowel oppositie- als meerderheidspartijen. Zo brak op de valreep nog een discussie los over het geboorteverlof dat niet zou worden meegerekend in de nieuwe regels om vervroegd met pensioen te kunnen gaan. Vaders en meemoeders zouden daardoor afgestraft worden voor het opnemen en gelijk verdelen van zorgtaken van pasgeboren kinderen.
De rode draad doorheen de pensioenhervorming is het sterker koppelen van het beroepsverleden aan de opbouw van pensioenrechten om mensen aan te sporen om langer te werken. Wie langer werkt, krijgt immers meer pensioen.
De hervorming raakt niet aan de wettelijke pensioenleeftijd van 66 jaar die al sinds 2009 gelijkgeschakeld werd voor mannen en vrouwen. Wel trekt de hervorming de loopbaanvoorwaarden voor vervroegd pensioen aanzienlijk op. Wie met vervroegd pensioen wil moet nog steeds minstens 60 jaar oud zijn en 44 loopbaanjaren kunnen voorleggen, maar de pensioenhervorming past nu de definitie van zo’n loopbaanjaar aan.
Waar eerder 104 gewerkte of gelijkgestelde dagen volstonden om een loopbaanjaar volledig te laten meetellen, trekt de pensioenhervorming dit op naar 156 gewerkte of gelijkgestelde dagen, wat in de praktijk gelijk is aan een 50% tewerkstelling. Wie (tijdelijk) minder dan halftijds heeft gewerkt, bouwt dus geen loopbaanjaren op. Wie toch met vervroegd pensioen gaat en onvoldoende lang gewerkt heeft, zal door de zogenaamde pensioenmalus een lager pensioenbedrag ontvangen: een soort boete voor wie niet aan voldoende effectief gewerkte dagen komt. Het pensioenbedrag daalt met 5% per jaar dat men vroeger dan de wettelijke pensioenleeftijd met pensioen gaat.
De Raad van State benadrukt dat de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen zal toenemen als gevolg van de nadruk die de hervorming legt op het aantal gewerkte of gelijkgestelde dagen. Vrouwen voldoen immers minder vaak dan mannen aan de effectieve tewerkstellingsvoorwaarde die hen vrijstelt van de toepassing van de malus. Bovendien berekent de federale Pensioendienst dat de malus vooral de laagste pensioenen treft: 68% van de getroffenen ontvangt een minimumpensioen en ziet door de malus het pensioen onder het minimumpensioen vallen. Ook hier worden vrouwen het hardst getroffen: 56% van de ontvangers van een minimumpensioen is vrouw, tegenover 27% man.
Dat gewerkte jaren voortaan moeten bestaan uit minstens 156 werkdagen om met vervroegd pensioen te kunnen gaan zonder een lager pensioen te ontvangen, heeft een duidelijk ongelijke impact op vrouwen en mannen. Volgens de Studiecommissie voor vergrijzing van de Hoge Raad van Financiën treft de pensioenmalus 1 op 2 vrouwen (49%), terwijl maar 1 op 5 (22%) van de mannen een lager pensioenbedrag zou ontvangen.
Hoewel de regels omtrent de pensioenmalus dezelfde zijn voor mannen en vrouwen, ontkent een formeel gelijke behandeling de structurele en bestaande ongelijkheid in onze arbeidsmarkt en de impact daarvan op de realiteit van de loopbaan van heel wat vrouwen. Vrouwen hebben immers vaker een kortere loopbaan omwille van deeltijds werk, of hebben tijdens hun loopbaan meer periodes die niet meetellen in de berekening van de malus.
In 2024 werkte 40,5% van de loontrekkende vrouwen deeltijds tegenover 12,8% van de loontrekkende mannen. Mannen werken daardoor gemiddeld vijf loopbaanjaren langer dan vrouwen, en bouwen dus ook meer pensioenrechten op. Voor bijna een kwart van de vrouwen (24%) is het verrichten van onbetaalde zorg voor kinderen of derden (mantelzorg) de belangrijkste reden om deeltijds te werken, terwijl dat bij mannen slechts 7,6% is.
Daarnaast is een grote groep vrouwen ook ‘onvrijwillig deeltijdse werknemer’ omdat ze geen voltijds contract krijgen of vinden. In 2023 was 4,4% van de werkende vrouwen ondertewerkgesteld, tegenover amper 1,8% van de mannen. Vrouwen werken namelijk vaker in sectoren waar deeltijds werk en glijdende uren de norm zijn als gevolg van fysiek zwaar werk of precaire contracten, zoals de schoonmaaksector en de verkoop. Meer dan de helft van de vrouwen werkt deeltijds in een van die sectoren, vaak uit noodzaak. In de sector van de dienstencheques zijn zelfs tot 90% van de contracten deeltijds. Ook in andere sectoren waar vrouwen overtegenwoordigd zijn, zoals openbaar bestuur, onderwijs, gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening, zijn meer dan de helft van de contracten deeltijds.

Op de valreep voegt Minister van Pensioenen Jambon een amendement toe dat zou toelaten gewerkte jaren van minder dan 156 dagen te compenseren met dagen uit jaren van meer dan 156 dagen. Die maatregel kan de pensioenmalus milderen voor mensen die deeltijds of met flexibele uurroosters werken, maar wat het effect in de praktijk zal zijn, is nog onduidelijk.
De pensioenhervorming grijpt voor de berekening van het pensioen eveneens in op de gelijkgestelde periodes. Gelijkgestelde dagen werden in het leven geroepen voor wie deeltijds werkt en dus minder pensioenrechten opbouwt. Via dit solidariteitsmechanisme heeft een onderbreking op de arbeidsmarkt niet noodzakelijk een negatieve invloed op de opbouw van sociale rechten. De toekenning van gelijkgestelde periodes speelt een belangrijke rol in het compenseren van de structurele genderongelijkheid op de arbeidsmarkt. Zonder gelijkgestelde periodes zou de pensioenkloof immers 43% bedragen.
De pensioenhervorming plaatst voor het eerst echter ook een plafond op gelijkgestelde periodes van langdurige werkloosheid voor de berekening van het pensioen. Gelijkgestelde dagen zijn periodes waarin je niet werkt maar die wel als werkdagen beschouwd worden en dus meetellen voor de pensioenopbouw, bijvoorbeeld wettelijke vakantiedagen en dagen gedekt door ziekte- en invaliditeitsuitkeringen zoals moederschapsrust en dagen van arbeidsongeschiktheid.
De pensioenhervorming van 2026 behoudt de volledige gelijkstelling met effectieve arbeidsprestaties voor ziekteperiodes, net als zorgverlof, moederschaps- en geboorteverlof, en tijdelijke werkloosheid. Gelijkgestelde periodes zouden echter in een eerste fase nog voor maximaal 40% van de loopbaan meetellen in de pensioenberekening, en uiteindelijk tot 20% zakken. In 2019 bestond de gemiddelde pensioenbouw van 65-jarige vrouwen voor bijna 40% uit deze gelijkgestelde periode, tegenover 30% voor mannen. Dit cijfer laat buiten beschouwing dat veel vrouwen voor het ontstaan van zorgverloven (zo bestaat het ouderschapsverlof pas sinds 1997) noodgedwongen onbetaald verlof namen dat sowieso niet gelijkgesteld wordt. Gelijkgestelde periodes zijn hoedanook een cruciaal element in de berekening van de pensioenen van vrouwen en een belangrijk mechanisme om bij te dragen aan een kleinere genderpensioenkloof.
Vrouwen zullen dus vaker het plafond van gelijkgestelde periodes overschrijden, met een lager pensioen tot gevolg. Volgens de studiedienst van het ABVV zouden vrouwen door de beperking van de gelijkgestelde periodes tot 300 euro pensioen per maand verliezen.
Zowel de regering als de studiecommissie voor vergrijzing benadrukken dat de pensioenkloof door de pensioenhervorming op lange termijn kleiner zal worden. Volgens hun berekeningen zou de pensioenkloof vanaf 2050 langzaam uitdoven omdat de loopbanen van toekomstige generaties nieuwe gepensioneerden veel gelijker zullen zijn en de tewerkstellingsgraad van vrouwen zal blijven stijgen. Hoewel de hervorming dus in eerste instantie de pensioenkloof vergroot, zou de impact van de pensioenhervorming gradueel afnemen.
Het blijft onzeker of deze voorspellingen stand zullen houden, en of vrouwen door de pensioenhervorming effectief langer aan het werk zullen blijven. Dat vrouwen vaker deeltijds werken om zorg te dragen voor kinderen of ouderen hangt immers samen met hardnekkige rolpatronen die de verantwoordelijkheid voor zorg bij vrouwen leggen, én met een kinderopvang en ouderenzorg die onder druk staan. In essentie treft de pensioenhervorming vrouwen dan ook disproportioneel omdat ze deze zorg onderwaardeert in plaats van erkent.
‘Het probleem van zorg is geen kwestie van marketing’ (Knack+, 27/04/2026)
Na de kritiek op Jambon: vaderschapsverlof wordt dan toch meegeteld voor regeling vervroegd pensioen (De Standaard+, 23/04/2026)
Pensioenhervorming: zijn vrouwen echt de pineut? (Knack, 11/03/2026)
Pensioenhervorming klaar voor stemming: wat verandert er nu concreet voor jou? (VRT NWS, 09/03/2026)
Wat als u vroeger met pensioen wil? En wat als u lang ziek bent geweest? Dit betekent de pensioenhervorming voor u (De Standaard+, 09/03/2026)
Vrouwen over de pensioenhervorming: “Onze pensioenen zijn vaak al schrijnend laag, daar kan echt niets meer van af” (De Standaard+, 08/03/2026)
RoSa thema: Arbeidsdiscriminatie
RoSa thema: Arbeidsparticipatie
Perspectief 29/01/2026: Werkloosheid en genderongelijkheid
Perspectief 09/10/2025: Vermogenskloof
Pers:pectief 23/09/2021: Pensioenen
The Gender Pension Gap As An Indicator Of Gender Inequality In Old Age In The EU / Karel van den Bosch & Federaal Planbureau, 2024
The Gender Pension Gap, Past Gender Labour Market Inequalities And Pension Systems In The EU / Karel van den Bosch & Federaal Planbureau, 2024
Minimumregelingen, gelijkgestelde periodes en de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen / Hans Peeters, Joy Schols, Ekaterina Tarantchenko & Federaal Planbureau, 2024
Studie over de analyse van de genderdimensie in het Belgische pensioensysteem / Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, 2023
Een pensioen op maat van vrouwen? / Ann Van den Troost & Koen Vleminckx [Eds.], 2007
Women, Work And Pensions: International Issues And Prospects / Jay Ginn, Debra Street & Sara Arber, 2001