Andrew Reiner leidt ieder hoofdstuk in met het sprekende verhaal van een jongen of man die kritisch is gaan kijken naar de mannelijkheidsnormen in zijn leven. Zo ook in de inleiding, waar hij aangeeft hoe deze verhalen bijdragen aan het doel van het boek: een zo volledig mogelijk beeld van hedendaagse mannelijkheid te schetsen, zodat er nieuwe modellen van mannelijkheid gevormd kunnen worden die overeenstemmen met authenticiteit en geleefde ervaringen.
Volgens Reiner vraagt de toestand – hij spreekt zelf van crisis – van jongens en mannen hierom. Hij geeft aan hoe ze steeds meer achterop hinken in het onderwijs, sterfte door alcohol- en drugsoverdosissen, zelfdoding als grootste doodsoorzaak en een grote sociale isolatie. Ook al focust het boek op de (Anglo-)Amerikaanse context, het zijn tendenzen die zich ook elders laten opmerken. Reiner lokaliseert de oorzaak ervan in een gedateerd model van mannelijkheid waar zelfredzaamheid, emotioneel stoïcisme en zelfvertrouwen centraal staan.
Een eerste bouwsteen van gedateerde – Reiner spreekt ook van ‘traditionele’ – mannelijkheid is de agressieve inperking van het volledige scala aan emoties. Hij stelt deze inperking van emoties betekenisvol gelijk aan een inperking van je menselijkheid. In het eerste hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de ontwikkeling van kleine jongetjes. Zo toont onderzoek aan dat babyjongens socialer gericht zijn dan babymeisjes en daardoor juist meer nood hebben aan emotionele hulp bij stress. Tegelijk blijkt dat culturele verwachtingen zoals ‘boys don’t cry’ al doorspelen in de interactie met moeders en (vooral) vaders nog vóór het kind spreekt. Jongens worden minder blootgesteld aan taal en positieve emoties, terwijl deze een belangrijke rol spelen bij sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling. Deze vaststelling is extra alarmerend aangezien ongeveer 80% van het babybrein groeit in de eerste achttien maanden.
Hierop voortbouwend vraagt Reiner aandacht voor scholen. Jongens scoren er disproportioneel slechter dan meisjes. Een groeiend aantal onderzoeken ondersteunt de these dat mannelijkheidsnormen een belangrijke rol spelen in die kloof. Het is boeiend dat hij aandacht besteedt aan alternatieven. Zo zijn er in de Verenigde Staten steeds meer programma’s die schadelijke gendernormen zoals emoties onderdrukken en onverzettelijke zelfverzekerdheid proberen te counteren. Eén daarvan is Social-Emotional Learning (SEL), waarvan een meta-studie aantoont dat het zowel de schoolresultaten als het mentaal welzijn van de deelnemers beduidend opvijzelt.
Met zijn focus op maatschappelijke verwachtingen (nurture) is het een obligate horde om ook biologie (nature) te bespreken. Hierbij steunt hij op het pionierswerk van neurowetenschapper Cordelia Fine, dat steeds meer wetenschappelijke bijval kent. Fine legt bloot hoe de neurologische verschillen tussen mannen en vrouwen veel minder significant zijn dan eerder gedacht. Zo wordt testosteron vaak voorgesteld als bepalende factor voor “onoverkomelijke genderverschillen” en sterk gelinkt aan traditionele mannelijkheid. Maar uit recent onderzoek blijkt dat sociale omstandigheden – die dus verschillen naargelang gender – de hoeveelheid en werking van testosteron sterk sturen.
De volgende bouwsteen is dominantie. Reiner bespreekt ontgroeningen (die in de VS steeds gewelddadiger worden) en geeft aan hoe deze draaien om het beschamen en domineren van de jongere leden. Deze gebruiken krijgen weinig tegenstand omdat coaches en ouders er vanuit gaan dat het jongens en jonge mannen weerbaar maakt. Over het algemeen toont empirisch onderzoek aan dat jongens van jongs af aan getraind worden om competitief te zijn; een competitiviteit die emotionaliteit of andere vormen van ‘zwakte’ onverbiddelijk afstraft in het streven naar status. Het creëert een ‘cultuur van wreedheid’ die zorgt voor wantrouwen en emotionele alertheid in jongens die hun relaties met andere mannen blijvend beïnvloeden.
Voortbouwend op de dynamiek tussen het onderdrukken van emoties en de eis om dominant te zijn, besteedt Reiner ruim aandacht aan kwetsbaarheid. In een hypercompetitieve maatschappij betekent kwetsbaarheid en de vraag om hulp niets minder dan falen. Hij wijst erop dat dit ook vrouwen hun onkwetsbaarheid doet onderdrukken. Het daagt steeds meer mannen dat deze onmogelijke opgave om nooit kwetsbaar te zijn hen schaadt, waarop ze manieren zoeken om er over te praten.
Een grote groep van de voorbeeldfiguren die Reiner opvoert zitten in praatcirkels. Het zijn confronterende, maar helende ervaringen. Tegelijk is er buiten die intieme kring weinig ruimte om kwetsbaarheid te tonen – ook vrouwen bestendigen beperkende mannelijkheidsnormen en staan niet altijd te springen voor een kwetsbare partner. Hij staat ook kort stil bij de vaststelling dat huilen de ultieme blijk is van kwetsbaarheid. Jongens leren door beschaming al op de lagere school dat huilen voor ‘baby’s’, of later – onder invloed van meer rigide ideeën over gender – voor ‘meisjes’ is.
Een gevolg van de druk om kwetsbaarheid niet te tonen is sociale isolatie. De psycholoog Terrence Real geeft aan hoe de maatschappij jongens leert om niet verbonden te zijn (disconnected). Mannen voelen al vroeg dat er geen ruimte is om zich kwetsbaar op te stellen. Eenzaamheid stijgt over het algemeen in individualistische maatschappijen, maar mannen zijn ook hier disproportioneel in de cijfers aanwezig. Reiner wijst hiervoor op de manier waarop mannen hun vriendschappen vormgeven.
Zo vinden mannen (van alle leeftijden) loyaliteit belangrijk, doen ze activiteiten met elkaar en geven ze elkaar praktisch advies. Toch lukt het moeilijk om enerzijds emotionele steun te bieden en anderzijds emoties te verwoorden.
Tot slot gaat Andrew Reiner dieper in op geweld. Hij brengt ook de verdubbeling van het aantal massa schietpartijen sinds 2007 in verband met sociale verwachtingen. Het merendeel van de daders zijn witte jongemannen die in hun mannelijkheid gekrenkt zijn, vaak in combinatie met depressieve en zelfdodingsgedachten. Volgens Reiner ligt schaamte aan de basis van dit soort geweld. In een wereld waar mannen moeten kiezen tussen domineren of gedomineerd worden, wordt een (gewelddadige) reactie verwacht om de machtsbalans in hun voordeel te keren. Het verklaart waarom het merendeel van de schoolshooters geen ernstige mentale aandoeningen hebben. Net als bij ander geweldplegingen zoals (seksueel) geweld en partnergeweld is het eerder een, otot p zekere hoogte maatschappelijk aanvaard, coping mechanisme.
Ondanks de oprechte empathie en nieuwsgierige, scherpe observaties geraakt Better Boys, Better Men niet voorbij haar zoekende protagonisten. Reiner beweert niet uit te zoomen, maar de afwezigheid van een coherent breder plaatje toont zich uiteindelijk in enkele zwaktes. Al meteen in de inleiding geeft de auteur blijk van een ahistorisch perspectief door te stellen dat traditionele mannelijkheid nu pas een schadelijke impact heeft. Ook de bewering dat dominantie vandaag is verschoven van macroniveau naar het interpersoonlijke niveau wordt niet hardgemaakt met data en onderzoek.
Een andere opmerkelijke tekortkoming, die niet los gezien kan worden van de ahistorische analyse, is de totale afwezigheid van feministische theorie. Zo maakte de radicale feminist John Stoltenberg al drie decennia geleden duidelijk dat jongens en mannen hun mannelijkheid bewijzen door dominantie. Kwetsbaarheid en emotionaliteit worden als zwak gezien en de mogelijkheid van geweld (verbaal of fysiek) is altijd aanwezig. Stoltenberg stelt pertinent dat mannelijkheid bewijzen ten koste gaat van eigenheid (authenticiteit).
Daarnaast wil de auteur steunen op pioniers, zoals in verwijzingen naar het standaardwerk The Will to Change van bell hooks uit 2006. Dat is waardevol, maar het is tegelijk vreemd om het werk en denkkader van hooks te kopiëren zonder het te duiden en de waarde ervan expliciet te erkennen.
Bovenal valt het woord patriarchaat slechts één keer in heel het boek (“Terry Real (…) identifies patriarchy as the cause of this.” p.176), niet toevallig bij een auteur die ook door hooks geciteerd wordt. Het wijst op een olifant in de kamer. Zowel Stoltenberg, hooks en Real plaatsen de pijnlijke interpersoonlijke dynamiek van mannelijkheid in een breder kader: het patriarchaat. Er is in westerse maatschappijen een politieke en sociale structuur die rigide gendernormen propageert, waarbij mannen boven vrouwen en anderen staan met ongelijke uitkomsten als gevolg. Individuele jongens en mannen kunnen hier tegen in gaan, maar – zoals Reiner wel pertinent weet aan te stippen met zijn aandacht voor de externe druk om kwetsbaarheid te verbergen – zonder cultuuromslag blijven zij vechten tegen de bierkaai.
Wil Andrew Reiner dat zijn bundeling van moedige getuigenissen geen stille dood sterft, dan zal hij de structurele dimensie van gendernormen mee in beeld moeten brengen.