Het publieke debat over de acceptatie van de lgbtqia-gemeenschap laaide de voorbije weken opnieuw op in Vlaanderen. VRT-journalist Riadh Bahri reageerde in een aangrijpende getuigenis in het VRT-programma De Afspraak op de virale video van Jonatan Medart. De content creator en zijn partner werden in het centrum van Gent het slachtoffer van homohaat. Op zijn sociale media deelde hij de beelden waarop een groep jongemannen hen belaagt en achtervolgt. Enkele dagen eerder berichtten Nederlandse kranten over de resultaten van een grootschalig jongerenonderzoek van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut. Daaruit blijkt dat jongeren tussen de 12 en 16 jaar in toenemende mate negatief staan tegenover homoseksualiteit. Bij jongens gaat het om bijna een halvering: het percentage met een positieve houding tegenover homoseksualiteit daalde van 40 procent in 2021 naar amper 22 procent in 2025.
Onderzoekers, belangenorganisaties, slachtoffers van haatmisdrijven en media stellen unaniem dezelfde tendens vast: de maatschappelijke aanvaarding van gender- en seksuele diversiteit keldert ook in België. Vooral bij jongeren valt die evolutie op en baart ze zorgen. De cijfers tonen aan dat de jarenlange progressieve trend is gekeerd. In Vlaanderen bleek uit de vijfjaarlijkse studie van het Jeugdonderzoeksplatform (JOP) dat de aanvaarding van homoseksualiteit onder scholieren in 2023 dramatisch achteruitging. Waar jongeren vijf jaar eerder over het algemeen nog positief stonden tegenover homoseksualiteit, stelt het JOP nu een significante stijging van homofobie vast. Bijna 20 procent van hen vindt dat het homohuwelijk moet worden afgeschaft. Bijna 1 op 5 vindt agressie tegenover homo's aanvaardbaar en loopt liever niet meer over straat met een vriend(in) als blijkt dat die homoseksueel is.
Dat haat tegen lgbtqi-personen zorgwekkend toeneemt, vertaalt zich ook in een veranderende dagelijkse realiteit. In mei 2025 spraken Unia en het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen van een "zorgwekkend klimaat" voor lgbtqi-personen in België. Cijfers uit de lgbtqi-enquête van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), afgenomen in 2024, ondersteunen die vaststelling: 15% van de Belgische lgbtqi-respondenten gaf aan in de vijf jaar voorafgaand aan de enquête fysiek te zijn aangevallen. Meer dan de helft rapporteerde verbaal te zijn lastiggevallen. De angst voor dit geweld beïnvloedt hoe lgbtqi-personen zich in de publieke ruimte begeven: 53% vermijdt het 'vaak' of 'altijd' om in het openbaar de hand vast te houden van een partner van hetzelfde geslacht, uit angst te worden aangevallen, bedreigd of lastiggevallen.
De enquête onthult ook een verontrustende toename van pesten op school, waarbij 67% van de bevraagde lgbtqi-leerlingen te maken kreeg met intimidatie of spot. Dit vijandige klimaat laat ook sporen na op de mentale gezondheid van lgbtqi-personen. 1 op 10 Belgische respondenten dacht het afgelopen jaar vaak of voortdurend aan zelfdoding. Lumi, de info- en luisterlijn van lgbtqi-koepelorganisatie Çavaria, beantwoordde vorig jaar 15 procent meer oproepen. Vooral het aantal gesprekken over zelfdoding, geweld en discriminatie steeg opvallend sterk.
Ook de Europese organisatie ILGA-Europe trok aan de alarmbel over de stijging van fysiek en verbaal geweld tegen lgbtqi-personen in België. De organisatie verwees naar een duidelijke toename van hinderlagen die via datingapps worden opgezet, een stijgend aantal aanvallen op lgbtqi-ruimtes en -symbolen en fysiek geweld op individuen in de openbare ruimte, meer meldingen van intimidatie van transgenderpersonen op het werk en in de gezondheidszorg, en steeds meer desinformatiecampagnes via sociale media die lgtbqi-personen viseren en de vijandigheid tegen hen aanwakkeren. Ook hier tekent zich eenzelfde tendens af: volgens cijfers van de federale politie is de helft van de verdachten van haatmisdrijven tegen lgbtqi-personen minderjarig.
West-Europese landen tooien zich al lang met het imago van tolerantie tegenover de lgbtqi-gemeenschap. België en Nederland namen vaak een voortrekkersrol inzake lgbtqi-rechten: Nederland was in 2001 het eerste land ter wereld waar het homohuwelijk werd gelegaliseerd, België volgde in 2003 als tweede en legaliseerde adoptie door homoseksuele koppels in 2006. Ook vandaag scoort West-Europa hoog. In de Rainbow Map 2026 van ILGA-Europe, die 49 Europese landen rangschikt op basis van hun wetgeving en beleid voor lgbti-personen, bestaat de top 10 nog altijd uitsluitend uit West-Europese landen. Door de politieke stilstand van de regering-De Wever inzake draagmoederschap en enkele dossiers rond transgender- en interseksepersonen, zakte België in 2026 twee plaatsen in de rangschikking en eindigt daarmee als vierde in Europa.
Deze progressieve wetgeving liet West-Europese landen lang toe om zichzelf te zien als een baken van vooruitgang en ‘tolerantie’, een regio die de strijd voor lgbtqi-rechten grotendeels gestreden en gewonnen had. Maar wat als onderzoek en getuigenissen er keer op keer op wijzen dat de kloof tussen juridische verworvenheden en de dagelijkse realiteit groter wordt? Eerder dan introspectie, vervalt het publieke debat vaak in politiek bruikbare vijandbeelden.
In de nasleep van het debat in België en Nederland over toenemende lgbtqi-haat werd de schuld voor de dalende acceptatie al snel afgeschoven op jongeren met een religieuze of migratieachtergrond. In Nederland spraken politici in de Tweede Kamer over "islamitische intolerantie" en noemden de islam, wanneer het homohaat betreft, "de grootste en gevaarlijkste kop van een veelkoppig monster". In België stelt Vlaams Belang dat “homohaat geïmporteerd wordt uit het buitenland” en pleitte de partij er recentelijk in het federaal parlement voor dat de politie bij haatmisdrijven tegen de lgbtqi-gemeenschap start met het registreren van de "herkomst van de daders". Ook toen het VRT-onderzoek 'De Foto van Vlaanderen' eerder dit jaar onthulde dat één op de zes jongeren vindt dat mannen vrouwen mogen slaan, greep moraalfilosoof Maarten Boudry het debat aan om moslimjongeren te viseren.
Deze reflex dreef Riad Bahri ertoe om in De Afspraak — waar hij te gast was naar aanleiding van de gaybashing van Jonathan Medart, wiens daders wit waren — die kritiek voor te zijn:
‘Er is zeker een probleem met homoseksualiteit in migratiekringen. Maar ik heb het gevoel dat we dat zo graag willen benoemen omdat we iets anders níét willen benoemen. Namelijk dat Jan, Jozef en Frank van achter de hoek bij wie onze kinderen gaan spelen ’s avonds mij op Facebook ook uitschelden voor ‘vuile janet’. Het is een probleem van de hele samenleving, en zolang we dat niet inzien, kunnen we geen oplossing vinden.’
Bahri raakt daarmee een patroon aan dat telkens weer bovendrijft in het publieke debat rond homohaat. Het afschuiven daarvan op mensen met een religieuze (veelal islamitische) of migratieachtergrond (veelal Noord-Afrikaans) komt vaak uit de hoek van (extreem)rechtse partijen die homohaat veroordelen wanneer de daders in hun ideologisch vijandbeeld passen, maar die in hun parlementair stemgedrag en politiek beleid niet consequent opkomen voor lgbtqi-rechten. Die inconsistentie toont dat hun stellingname niet in de eerste plaats voortkomt uit bezorgdheid om lgbtqi-personen, maar functioneert binnen een bredere agenda tegen migratie en islam: homofobie wordt niet bestreden, maar geïnstrumentaliseerd.
Dit instrumentaliseren van homohaat als een politiek bruikbaar symbool in een bredere identiteitsstrijd, is een hoeksteen van wat bekendstaat als homonationalisme: acceptatie van homoseksualiteit wordt een onderdeel van het nationale zelfbeeld en een maatstaf voor "beschaving". Door de acceptatie van homoseksualiteit voor te stellen als een verworven, afgerond en "westers" kenmerk dat van buitenaf bedreigd wordt door migratie en zogenaamde islamisering, wordt de lgbtqi-gemeenschap zelf ingezet als scheidslijn tussen een verondersteld verlicht "wij" en een vermeend achtergesteld "zij". Dergelijk discours kenmerkt bijvoorbeeld de houding van Vlaams Belang en Alternative für Deutschland tegenover de lgbtqi-gemeenschap.
Onderzoek benadrukt echter dat de toenemende homohaat niet toegeschreven kan worden aan één bevolkingsgroep, etniciteit of religie, maar diep geworteld is in conservatief gedachtegoed dat verspreid is over brede lagen van de samenleving. Hiermee wordt niet ontkend dat identiteitskenmerken wél een rol spelen. Religieus conservatisme kan zeker bijdragen aan homofobie. Zo concludeerde de vijfjaarlijkse studie van het Jeugdonderzoeksplatform (JOP) naar de aanvaarding van homoseksualiteit onder Vlaamse scholieren dat joodse en islamitische jongeren in 2023 beduidend hoger scoorden op homofobie dan niet-gelovige jongeren. Tegelijk nam homofobie toe bij zowel christelijke, islamitische en joodse jongeren als bij niet-gelovige jongeren, wat wijst op een bredere problematiek. Een correlatie tussen een islamitische of joodse geloofsbeleving en homofobie staat bovendien niet gelijk aan een inherent kenmerk van de islam of het jodendom.
De vaststelling dat toegenomen homofobie in Vlaanderen niet uit één bepaalde hoek van de samenleving komt, loopt parallel met die van onderzoekers in Nederland die het grootschalige jongerenonderzoek van de Universiteit Utrecht leidden:
Een zondebokpolitiek die zich focust op jongeren met een religieuze of migratieachtergrond, werkt niet alleen stereotyperend en stigmatiserend, het leidt vooral ook de aandacht af van een veel scherpere, en hardnekkigere, breuklijn. Onderzoek wijst keer op keer uit dat lgbtqi-haat veel meer uitgesproken is onder jongens dan onder meisjes, en dat die genderkloof alleen maar groeit. De vijfjaarlijkse studie van het Jeugdonderzoeksplatform (JOP) in Vlaanderen legde jongeren zes stellingen voor, waaruit een "homofobiescore" van 0 tot 10 werd berekend: jongens scoorden daarop bijna dubbel zo hoog als meisjes. Ook in Nederland zien onderzoekers van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut hetzelfde patroon: de helft van de meisjes staat positief tegenover homoseksualiteit, tegenover amper twee op tien jongens.
Door zich blind te staren op religie en migratieachtergrond, mist het maatschappelijk en politiek debat de kern: cijfers suggereren sterk dat preventie best in de eerste plaats op jongens in het algemeen focust. Die preventie kan zich dan richten op het counteren van de homofobische narratieven die circuleren op sociale media en specifiek binnen de manosfeer, en op het bevragen van de conservatieve manbeelden die vaak aan de basis liggen van lgbtqi-haat.
De verruwing van het publieke debat rond gender en seksuele diversiteit is geen spontaan fenomeen, maar het resultaat van een georganiseerde tegenbeweging. Deze beweging, ook wel de antigenderbeweging genoemd, keert zich tegen vrouwenrechten, gendergelijkheid, seksuele en reproductieve rechten en lgbtqi-rechten. De beweging is het best te begrijpen als een los en verschuivend netwerk waarin religieuze instellingen, politieke partijen, denktanks, straatbewegingen en mediakanalen elkaar vinden. De voorbije dertig jaar leek het erop dat de voornoemde rechten in Europa steeds breder erkend raakten, een vooruitgang die tot voor kort bijna vanzelfsprekend leek. Maar met de hulp van een nieuwe generatie extreemrechtse en populistische partijen, die haar agenda tot in parlementen en regeringen droegen, is de antigenderbeweging erin geslaagd die golf van vooruitgang tot stilstand te brengen.
De invloed van de antigenderbeweging vertaalde zich afgelopen jaren over heel Europa in wetgevende en institutionele veranderingen waarmee conservatieve partijen de vrijheid van de holebi- en transgemeenschap inperken. In Turkije beriep de overheid zich enkele weken geleden op beschuldigingen van “obsceniteit” om tientallen lgbtqi-activisten en journalisten te arresteren tijdens invallen in nachtclubs, woningen van activisten en kantoren van lgbtqi-organisaties en hiv-belangenorganisaties. Het State of Pride in Europe 2026-rapport berichtte dat twee op de vijf organisatoren te maken kregen met bezuinigingen of het intrekken van subsidies, vaak doordat lokale overheden of sponsors Pride als een politiek risico zien. In 2025 verbood de nationalistische regering van toenmalig Hongaars premier Viktor Orbán de Budapest Pride onder het mom van de ‘bescherming van het kind’, onderwierp ze organisatoren aan boetes en identificeerde ze aanwezigen via gezichtsherkenning. Zowel Hongarije, Slovakije, Georgië en het Verenigd Koninkrijk voerden recentelijk (grond)wettelijke maatregelen door die geslacht definiëren als strikt biologisch en onveranderlijk en daardoor de erkenning en de toegang tot gezondheidszorg beperken voor trans, intersekse en non-binaire personen.
Hoewel België lange tijd een uitzondering vormde op de rest van Europa, waarschuwt het onderzoeksrapport The Hate Review (2026) dat de antigenderbeweging de komende jaren aan kracht zal winnen, haar bereik zal uitbreiden, haar framing zal normaliseren, en de ruimte voor progressieve hervorming zal beperken. Volgens het rapport bevindt België zich op een kruispunt tussen zijn progressieve verleden als voorloper inzake lgbtqi-rechten en een verdiepende cultuurstrijd.
Het rapport stelt bovenal vast dat antitransretoriek in België de voorbije jaren steeds luider is geworden: ze wordt overgenomen door politieke partijen, ingezet in de verkiezingsstrijd, en vooral gedragen door ultraconservatieve en (extreem)rechtse partijen. Het rapport suggereert een bredere tendens in het politieke debat rond gender- en seksuele diversiteit: de aandacht van partijen verschuift steeds meer naar het controleren en afdwingen van de grenzen van mannelijkheid en vrouwelijkheid omdat openlijke haatspraak tegen holebi’s electoraal zelden loont. Genderidentiteit, niet seksuele oriëntatie, vormt de nieuwe frontlinie. Vooral transgender, non-binaire en intersekse personen komen daardoor in het vizier.
Vlaams Belang illustreert dat patroon. Partijvoorzitter Van Grieken drukt homohaat in eigen rangen regelmatig de kop in en benadrukt het partijstandpunt dat bestaande basisrechten voor holebi's verworven zijn — maar enkel omdat de partij toegeeft dat ze nooit de nodige 50%-meerderheid zal halen om deze rechten terug te draaien. Tegelijk verzet de partij zich tegen adoptie door homokoppels, want "elk kind heeft recht op een mama en een papa". Daarnaast pleit ze wel voor strengere bestraffing van homofoob geweld, maar verzet ze zich net tegen de subsidiëring van Regenbooghuizen als veilige plekken en ondersteuning voor de gemeenschap. Die gedeeltelijke "tolerantie" tegenover de lgbtqi-gemeenschap is tekenend: Vlaams Belang werpt zich op als "de enige echte" verdediger van holebi-personen, maar verzet zich fel tegen de vermeende "genderideologie". De partij gelooft niet in gender, wil genderbevestigende operaties niet langer terugbetalen en wil aanpassingen van de geslachtsregistratie op identiteitskaarten onmogelijk maken.
Een goed voorbeeld van hoe anti-"woke"- en antitransnarratieven traditionele partijen binnensluipen, is de liberaal-conservatieve partij MR in Franstalig België die het antigenderdiscours opnam in haar politieke koers. Hoewel de partij onder het mom van zelfbeschikking opkomt voor de rechten van holebi’s, verzet ze zich fel tegen wat zij de "deconstructie van gender" en "het radicalisme van de transgenderideologie" noemt. In die geest blokkeerde de MR in 2023 een federaal wetsvoorstel om genderidentiteit te verwijderen van Belgische identiteitskaarten, en voorkwam ze een hervorming die al sinds 2021 op de onderhandelingstafel lag. In een opiniestuk in La Libre ijvert de partij, in naam van de bescherming van het kind, voor het stopzetten van alle vormen van puberteitsremmers en alle chirurgische genderbevestigende ingrepen bij minderjarigen. Op basis van dubieus onderzoek van de beruchte antitransgender-organisatie Society for Evidence-Based Gender Medicine verzette de MR zich bovendien tegen bewustmaking van, en welzijn rond, genderidentiteit bij kinderen in het lager onderwijs.
De MR haakte daarmee in op de politieke crisis die ontstond in Franstalig België rond de invoering van verplichte minimumdoelstellingen voor relationele en seksuele vorming in het Franstalig onderwijs, bekend als EVRAS (Éducation à la Vie Relationnelle, Affective et Sexuelle). Katholieke traditionalisten, conservatieve moslimorganisaties, antivaxnetwerken en complotdenkers vonden elkaar in grootschalige protesten onder het motto “Pas touche à nos enfants”, desinformatiecampagnes die EVRAS linkten aan "hyperseksualisering" van kinderen en pedofilie, en gewelddadige betogingen en brandstichtingen in vier kleuterscholen in Charleroi.
De manier waarop partijen als Vlaams Belang en MR praten over de lgbtqi-gemeenschap is niet onschuldig. Ook de belangenorganisatie Çavaria waarschuwt dat een steeds vijandiger discours snel kan omslaan in anti-lgbtqi-wetgeving. Lgbtqi-rechten zijn immers geen verworven rechten: landen kunnen één verkiezing verwijderd zijn van een beslissende verschuiving naar een politiek klimaat waarin deze rechten niet verder uitgebreid, ingeperkt of zelfs volledig afgeschaft worden.
In Italië, waar lgbtqi-rechten altijd al karig waren, kantte premier Giorgia Meloni zich tegen wat zij en haar bondgenoten 'genderideologie' en de 'lgbt-lobby' noemen. Zo gaf Meloni’s regering steden de opdracht om te stoppen met het officieel registreren van beide ouders van hetzelfde geslacht op geboorteaktes en voerde ouderlijke toestemming in voor seksuele voorlichting op school om linkse politici tegen te houden die "dragqueens en pornoacteurs de scholen binnenbrengen". Ook Hongarije — vóór de verkiezing van Viktor Orbán nog gekend als één van de meest progressieve landen in Oost-Europa op het vlak van lgbtq-wetgeving — bouwde die bescherming systematisch af. De regering paste de grondwet aan om het huwelijk strikt te definiëren als een verbintenis tussen een man en een vrouw, en beëindigde de juridische erkenning van transgender en intersekse personen.
Over the last decades, we have come to believe that the countries with the most progressive legal frameworks on reproductive rights or the rights of LGBTIQ+ people were by default the most resilient. This was supported by the belief that once progress had started, it could only be linear and constant and that steps back were unthinkable. This study shows how wrong these beliefs are and that it is urgent to abandon them. progressive laws have not prevented the anti-gender movement from establishing itself. They are actually what the anti-gender movement fed on to grow and organize itself.
Ook de ngo Forbidden Colors trekt aan de alarmbel. Wie denkt dat antigenderbewegingen alleen in landen als Hongarije, Turkije of Georgië lgbtqi-rechten terugdraaien, vergist zich: de situatie is overal in Europa zorgwekkend. "West- en Noord-Europa zijn geen toeschouwers, maar behoren tot de belangrijkste strijdtonelen van de antigenderbeweging." Ook robuuste wetgeving is geen waterdichte garantie op bescherming. Een land waar de beweging zich al breed in de samenleving heeft genesteld, maar de wetten nog niet heeft aangepast, is volgens Forbidden Colors geen veerkrachtig land, maar een geladen wapen: de maatschappelijke steun voor verandering is er al, enkel het momentum ontbreekt.
RoSa thema: Antifeminisme
RoSa thema: Antigenderbeweging
Pers:pectief 27/02/2025: Gendergelijkheid en mensenrechten onder politieke druk
Pers:pectief 03/09/2020: LHBTQI+ targeting
Uitgelezen Lente/Zomer 2024: Antifeminisme en antigenderbeweging
RoSa leest: Anti-Gender Campaigns in Europe - Roman Kuhar & David Paternotte [Eds.]
RoSa leest : Gender Heretics - Rebecca Jane Morgan
RoSa kijkt : The Boys Are Not Alright: How the Manosphere is Radicalising Young Men
Acceptatie van homoseksualiteit onder Nederlandse jongens bijna gehalveerd in vier jaar: “Zo’n sterke daling hadden we niet verwacht” (De Standaard, 21/09/2026)
Queer en in de val gelokt via datingapps: ‘Na twee uren die eeuwig leken te duren, hebben ze me achtergelaten in het park’ (De Morgen 07/03/2026)
1 op de 5 jongeren vindt dat agressie tegenover homo’s aanvaardbaar is: ‘Ik word hier vooral moedeloos van’ (Knack+, 08/04/2025)
Çavaria: ‘De manier waarop Tom Van Grieken over lgbtq-personen praat, is niet onschuldig’ (Knack, 04/06/2024)
Wat als Vlaams Belang mee regeert? ‘Transgender personen zijn de nieuwe nichten, er wordt een heksenjacht tegen hen gevoerd’ (De Morgen, 31/05/2024)
