Sovjetpolitica, marxistische feminist en eerste vrouwelijke diplomaat ter wereld
Alexandra Kollontai (1872-1952) is ongetwijfeld een van de meest markante vrouwen in de revolutionaire geschiedenis van Sovjet-Rusland aan het begin van de twintigste eeuw. In 1917 wordt zij als eerste vrouw ter wereld benoemd tot minister en aangesteld als Volkscommissaris voor Openbare Bijstand, een functie die zich vandaag zou vertalen naar die van minister van Volksgezondheid. Dankzij haar lobbywerk wordt echtscheiding in de vroege Sovjetperiode vereenvoudigd en wordt abortus (tijdelijk) gelegaliseerd in 1920.
Zoals veel marxistische feministen van haar tijd strijdt Kollontai voor politieke en economische gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Tegelijkertijd houdt ze zich, geheel avant la garde, bezig met thema’s die ook in progressieve kringen van die tijd als controversieel worden gezien (of zelfs worden geframed als een belemmering voor de socialistische strijd): liefde, seksualiteit, moederschap en huishoudelijke arbeid. Kollontai blijft tot vandaag inspireren als marxistische revolutionair, als auteur en als radicaal marxistische feminist. Zowel haar woorden als haar daden worden nog steeds bestudeerd.
Alexandra Mikhailovna Kollontai wordt geboren in 1872 in Sint-Petersburg in een aristocratisch, maar cultureel progressief gezin. Haar vader Michael Domontovitsj is generaal in het tsaristische leger, haar moeder Aleksandra Masalin-Mravinski is dochter van een rijke Finse houtfabrikant. Hoewel Kollontai opgroeit in relatieve welstand, ontwikkelt ze al vroeg een scherp sociaal bewustzijn en sympathie voor socialistische idealen. Ze observeert de schrijnende armoede van arbeidersvrouwen en ontwikkelt groeiende interesse in ideeën over economische gelijkheid.
Tegen de wensen van haar familie in, trouwt ze op jonge leeftijd met militaire ingenieur Vladimir Kollontai, met wie ze een zoon krijgt. Het huwelijk is echter van korte duur: de revolutionaire vrijdenker ervaart het als te beklemmend en belemmerend voor haar intellectuele en politieke ambities. Ze vraagt een scheiding aan, wat in die tijd juridisch mogelijk is, maar in de praktijk uiterst moeilijk te verkrijgen als vrouw door sociale normen en bureaucratie. Ze verlaat haar gezin en trekt in 1898 naar Zürich in Zwitserland om economie te studeren. Een jaar later verhuist ze naar Engeland om zich verder te verdiepen in het marxisme.
Terug in tsaristisch Rusland neemt ze deel aan de eerste revolutionaire beweging rond de Russische Revolutie van 1905. In die periode leert ze Vladimir Lenin kennen. Na de nederlaag van de revolutie leeft Kollontai enkele jaren in ballingschap in Europa en reist ze ook af naar de Verenigde Staten voor congressen. Kollontai engageert zich actief in de internationale socialistische beweging en onderhoudt contacten in de Tweede Internationale.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog spreekt Kollontai zich openlijk uit tegen de oorlog en verdedigt ze internationalistische en pacifistische standpunten, wat haar in verschillende Europese landen niet in dank wordt afgenomen. In 1915 sluit ze zich aan bij de bolsjewieken.
Kollontai is de enige vrouw in het Centraal Comité van de bolsjewieken in 1917.
Na de Februarirevolutie van 1917 keert ze terug naar Rusland, waar ze een prominente rol speelt in de Oktoberrevolutie onder leiding van Vladimir Lenin. Hierna wordt ze benoemd tot Volkscommissaris voor Maatschappelijk Welzijn in de eerste Sovjetregering. Daarmee is ze de eerste vrouw ter wereld die een ministerpost bekleedt in een nationale regering. In die functie voert ze talrijke hervormingen door op het vlak van moederschapsbescherming, kinderopvang en sociale zekerheid. Ze pleit voor betaalde moederschapsverloven, de uitbreiding van reproductieve rechten, publieke kinderopvang en collectieve voorzieningen die vrouwen moeten bevrijden van hun economische afhankelijkheid.
Als vrouw in een overwegend mannelijke revolutionaire elite moet Kollontai voortdurend haar intellect, loyaliteit, positie en idealen verdedigen. Hoewel de bolsjewieken formeel de gelijkheid van mannen en vrouwen onderschrijven, blijven traditionele gendernormen- en verwachtingen hardnekkig standhouden. Om meer aandacht te vragen voor “het vrouwenvraagstuk” richt Kollontai mee de Zhenotdel op, de vrouwenafdeling van de Communistische Partij, die zich focust op de alfabetisering, arbeidsrechten en emancipatie van vrouwen in de Sovjet-Unie.
Waar het Kollontai vooral om vrouwenemancipatie, persoonlijke ontwikkeling en autonomie te doen is, benadert de partijleiding dergelijke thema’s eerder vanuit het belang ervan voor staatsdoelen: arbeidsmobilisatie, bevolkingspolitiek en economische planning.
De onafhankelijke geest die Kollontai al sinds haar kinderjaren kenmerkt, resulteert ook op latere leeftijd in conflict met autoritaire macht. Samen met Aleksander Sjiliapnikov leidt ze een dissidente stroming binnen de communistische partij, de zogenaamde Arbeidersoppositie, die pleit voor meer democratie binnen de partij en meer macht voor de vakbonden. Deze kritische houding van Kollontai leidt tot spanningen met de partijleiding, met als gevolg dat ze geleidelijk uit de binnenlandse machtsstructuur wordt geduwd.
Toch betekent haar eigenwijze houding en principiële standvastigheid niet meteen politieke marginalisering. Kollontai wordt diplomaat en groeit uit tot de eerste vrouwelijke ambassadeur ter wereld. Ze vertegenwoordigt de Sovjet-Unie in onder meer Noorwegen, Mexico en Zweden, en in de Volkenbond (wat kan worden beschouwd als de voorloper van de Verenigde Naties). Vooral in Scandinavië verwerft ze aanzien als bekwaam diplomaat: in 1945 draagt een groep Noorse afgevaardigden Kollontai zelfs voor als kandidaat voor de Nobelprijs voor de Vrede vanwege haar diplomatieke werk om vijandelijkheden te ontmijnen tussen Zweden en Finland enerzijds en de USSR anderzijds. Ook andere Scandinavische gezanten en organisaties sluiten zich aan bij het voorstel, maar het Nobelcomité ondersteunt het initiatief niet.
De diplomatieke carrière van Kollontai beslaat uiteindelijk meer dan twintig jaar, uitzonderlijk voor een vrouw in die tijd. Ondanks haar reeks machtposities kunnen haar ambassadeursposten echter ook gezien worden als een vorm van politiek ballingschap. Toch is het opmerkelijk dat Kollontai een van de weinige critici is binnen de communistische partij die de Grote Zuivering van Jozef Stalin overleeft.
Kollontai onderscheidt zich van andere socialistische prominenten door haar aandacht voor thema’s als vriendschap, liefde, seksualiteit en relaties: ze benadert ook deze thema’s, die vaak als privé en van secundair belang in de socialistische strijd worden weggezet, als fundamenteel politiek. Volgens Kollontai vraagt collectieve emancipatie van vrouwen om meer dan louter formele, economische en politieke gelijkheid door te strijden voor betere arbeidsrechten en stemrecht: ook emotionele vrijheid, relationele autonomie en seksuele zelfbeschikking acht ze noodzakelijk voor de vrouwenzaak.
In haar essays De nieuwe moraal en de arbeidersklasse (1920) en Maak plaats voor de gevleugelde Eros (1923) pleit ze voor wat ze als “kameraadschappelijke liefde” noemt. Kollontai wil liefde bevrijden van economische afhankelijkheid, kapitalistisch eigendomsdenken en patriarchale controle. In een socialistische samenleving horen ook intieme relaties gebaseerd te zijn op gelijkheid, vrijheid en solidariteit, aldus Kollontai.
De Russische revolutionare verzet zich tegen traditionele gendernormen die stellen dat vrouwen hun identiteit zouden ontlenen aan het huwelijk, het huishouden en moederschap. Ze trekt fel van leer tegen een burgerlijke moraal die het huwelijk persoonlijke levens laat regeren als economische instelling. Vanuit die analyse pleit Kollontai ook voor de vereenvoudiging en makkelijkere toegang tot het recht op echtscheiding. Zolang vrouwen gevangen zitten in ongelukkige of economisch afhankelijke huwelijken, kan volgens haar geen sprake zijn van echte vrijheid of gelijkheid. In de vroege Sovjetperiode wordt echtscheiding daarom sterk vereenvoudigd: het huwelijk wordt een burgerlijke instelling en partners kunnen op relatief eenvoudige wijze uit elkaar gaan.
Tegelijkertijd blijft Kollontai kritisch tegenover oppervlakkige interpretaties van vrije liefde: seksuele vrijheid mag volgens haar niet ontaarden in emotionele onverschilligheid. Liefde moet volgens Kollontai sociaal ingebed worden in verantwoordelijkheid tegenover de gemeenschap.
Haar ideeën over liefde en relaties zijn hun tijd ver vooruit en worden, ook in revolutionaire kringen, als controversieel beschouwd. Zowel politieke tegenstanders als kameraden beschuldigen haar ervan het gezin, en daarmee de samenleving, te ondermijnen. Toch blijft Kollontai er haar hele leven van doordrongen dat er geen sprake kan zijn van ware gelijkheid zolang vrouwen emotioneel en economisch afhankelijk blijven van mannen.
Kollontai verzet zich tegen een cultuur die zij als burgerlijk bestempelt en die zich organiseert rond bezit en exclusiviteit, ook in sociale relaties. In het traditionele huwelijk - de normatieve liefdesrelatie destijds - merkt zij patronen op van jaloezie, afhankelijkheid en controle. Vriendschap biedt in haar optiek dan ook een alternatief: een relationele logica die minder hiërarchisch en exclusief is, en meer gebaseerd op respect, vertrouwen en gelijkheid.
In klassiek marxistische termen spreekt Kollontai eerder van kameraadschap dan van vriendschap. Daarmee onderstreept ze de relationele ethiek die volgens haar moest ontstaan binnen de arbeidersbeweging en waarin gelijkheid de kernwaarde vormt. Volgens Kollontai kan er pas sprake zijn van een socialistische samenleving als niet alleen de economische structuren veranderen en gelijkheid bevorderen, maar ook de sociale relaties hertekend worden met datzelfde doel voor ogen. Dat betekent voor haar: wederzijdse steun, respect voor individuele vrijheid en ontplooiing, solidariteit tussen mannen en vrouwen, en gelijke verdeling van arbeid, vrije tijd, middelen en macht.
Vriendschap vormt voor Kollontai dan ook de blauwdruk van hoe liefdesrelaties er zouden kunnen uitzien in een socialistische samenleving waarin vrijheid en gelijkheid centraal staan.
Net zoals Kollontai meent dat romantische relaties sterker en duurzamer worden wanneer er sprake is van economische gelijkheid, zouden ook vriendschappen floreren in een ideale socialistische samenleving zonder hiërarchische klassen. Voor haar is liefde dan ook een verdiepende vorm van kameraadschap. Liefde en vriendschap vormen als het ware een continuüm in het denken van Kollontai: in de beste liefdesrelaties, zo meent Kollontai, gaan beide elementen samen.
Voor Kollontai vormt vriendschap een fundamenteel onderdeel van een nieuwe socialistische moraal. Ze is ervan overtuigd dat maatschappelijke verandering niet alleen door wetten en revoluties wordt gedragen, maar ook door een cultuur van solidariteit. Vriendschap kan daarbij fungeren als een krachtig middel om mensen met elkaar te verbinden en een samenleving denkbaar te maken die gebaseerd is op gelijkheid, wederzijds respect en collectieve verantwoordelijkheid.
Ook over seksualiteit formuleert Kollontai ideeën die zelfs een eeuw later nog als vooruitstrevend gelden. Zo is Kollontai een belangrijke spilfiguur in campagnes om homoseksualiteit te normaliseren en te legaliseren in Europa. Voor Kollontai vormen gelijke rechten voor seksuele minderheden een evidentie en een cruciaal onderdeel van seksuele vrijheid. Ze stelt bovendien dat homoseksualiteit de solidariteit van het collectief enkel ten goede kan komen en koppelt er dus ook een socialistische waarde aan.
Kollontai pleit voor seksuele vrijheid en beschouwt seksualiteit als een natuurlijke, menselijke behoefte die niet door religieuze of burgerlijke moraal onderdrukt mag worden. Ze breekt een lans voor seksuele vrijheid en vorming, relationele gelijkheid en reproductieve autonomie.
In de vroege Sovjetperiode leiden deze ideeën tot ingrijpende hervormingen in het familierecht. Echtscheiding wordt vereenvoudigd en in 1920 wordt de Sovjet-Unie het eerste land ter wereld waar abortus op verzoek van de vrouw wordt uitgevoerd in staatsziekenhuizen. De maatregel moet onder meer een einde maken aan de vele gevaarlijke clandestiene abortussen van die tijd.
De toegang tot echtscheiding en abortus sluiten aan bij Kollontai’s overtuiging dat vrouwen controle moeten hebben over hun eigen lichaam en levensloop. Ongewenst moederschap vormt volgens haar een belangrijke belemmering voor vrouwenemancipatie.
De progressieve koers van de jaren twintig blijkt echter niet blijvend. In 1936 wordt abortus onder het bewind van Joseph Stalin opnieuw grotendeels verboden, onder meer om demografische redenen en vanuit een herwaardering van het traditionele gezin. Daarmee komt een einde aan een korte maar historisch uitzonderlijke periode van reproductieve hervormingen. Hoewel veel van Kollontai’s baanbrekende hervormingen later worden teruggedraaid, is de revolutionaire politica haar tijd(genoten) ver vooruit.
Ook moederschap bekijkt Kollontai niet vanuit een individuele lens als private verantwoordelijkheid, maar als een maatschappelijke taak die om collectieve ondersteuning en organisatie vraagt. Ze stelt dat de samenleving - of liever de staat - verantwoordelijk is voor het uitrollen van collectieve kinderopvang en gemeenschappelijke voorzieningen opdat vrouwen ontvoogd kunnen worden van hun huishoudelijke en zorgtaken. Alleen zo kunnen zij volwaardig en op gelijke voet met mannen participeren op de arbeidsmarkt en in de politiek.
Voor Kollontai is de bevrijding van vrouwen onmogelijk zolang zij gevangen blijven in onbetaalde huishoudelijke arbeid. Het huishouden moet volgens haar “gesocialiseerd” worden: collectieve keukens, wasserijen en kinderopvang zouden het huishouden vervangen of verlichten. Door huishoudelijke taken te collectiviseren, zouden vrouwen niet langer dubbel belast worden met loonarbeid én zorgtaken.
Economische onafhankelijkheid vormt voor haar een sleutel tot emancipatie. Betaalde arbeid geeft vrouwen niet alleen inkomen, maar ook maatschappelijke erkenning en zelfbewustzijn. Tegelijk beseft Kollontai dat louter deelname aan arbeid onvoldoende is zolang de zorglast ongelijk verdeeld blijft.
Hoewel veel van haar hervormingsvoortellen later worden teruggedraaid, legt Kollontai een belangrijke politiek-filosofische basis voor latere feministische debatten over reproductieve rechten, lichamelijke autonomie en zorgarbeid.
Kollontai’s leven weerspiegelt ook de spanningen van haar tijd. Terwijl ze radicaal denkt over vrijheid en gelijkheid, werkt ze binnen een regime dat later autoritair wordt onder leiding van Josef Stalin. Tijdens de stalinistische periode houdt ze zich voornamelijk bezig met diplomatie, wat haar wellicht beschermde tegen politieke zuiveringen.
Sommige historici verwijten haar dat ze zich onvoldoende uitsprak tegen repressie. Anderen benadrukken dat haar overleven en voortwerken als vrouw in die context op zich al uitzonderlijk was. Wat vaststaat, is dat haar vroegere feministische radicalisme in de Sovjet-Unie van de jaren dertig naar de achtergrond werd geduwd.
In augustus 1942 heeft Kollontai een hartaanval die haar bijna fataal wordt. Vanaf dan is ze verlamd aan haar linkerzijde en gebruikt ze een rolstoel. Binnen het jaar herneemt ze echter al haar professionele taken en verplichtingen, hoewel schrijven haar nu lastig valt zonder hulp.
Tien jaar later - uitgerekend op 8 maart, de internationale dag van feministische strijd - overvalt haar opnieuw een hevige pijn op de borst. In de vroege ochtend nadien overlijdt Alexandra Kollontai. Ze ligt begraven op de Novodevichii-begraafplaats in Moskou. Haar graf wordt gesierd door een marmeren standbeeld met de inscriptie “revolutionaire, tribune, diplomaat”.
Haar naam raakte lange tijd overschaduwd door mannelijke revolutionairen, maar sinds de tweede feministische golf is er hernieuwde aandacht voor haar werk. Vandaag wordt ze gezien als een historisch spilfiguur en pionier van het marxistisch en socialistisch feminisme. Haar denken verbindt economische analyse met intieme relaties en thema’s die doorgaans als privaat beschouwd worden: arbeid, liefde, zorg en seksualiteit vormen voor de kritisch denkende Kollontai geen aparte domeinen, maar zijn intrinsiek met elkaar verweven.
Haar nalatenschap herinnert komende generaties eraan dat vrouwenemancipatie zowel de publieke als de private sfeer moet transformeren: een idee dat pas in de tweede feministische golf in onze contreien breder wordt gepopulariseerd via de slogan “het persoonlijke is politiek”.
Als politica, diplomaat en denker overschrijdt Alexandra Kollontai continu grenzen: sociaal-economisch, geografisch, ideologisch en cultureel. Kollontai toont als geen ander dat socialistische strijd meer omvat dan economische gelijkheid, en dat feministische strijd verder reikt dan louter politieke en juridische gelijkheid: overtuigingen die bijzonder ruimdenkend zijn in haar tijd. Voor hedendaagse feministische bewegingen blijft haar werk dan ook inspirerend. Discussies over reproductieve rechten, collectieve zorgstructuren, werk-privébalans en relationele autonomie vinden in haar oeuvre een vroege en krachtige formulering.
RoSa thema: Marxistisch en socialistisch feminisme
RoSa thema: Abortus in Europa en Rusland
Pers:pectief 04/03/2020: Internationale Vrouwendag 2020
Red Love: A Reader on Alexandra Kollontai. Kollantai: A Play / Aleksandra Kollontaj & Agneta Plei, 2020
Alexandra Kollontaj: een biografie / Cathy Porter, 1982
European Women On The Left: Socialism, Feminism, and The Problems Faced by Political Women, 1880 to the Present / Jane Slaughter & Robert Kern, 1981
The Women's Liberation Movement In Russia: Feminism, Nihilism and Bolshevism 1860 - 1930 / Richard Stites, 1978
Conférences sur la libération des femmes / Alexandra Kollontai, 1978
Women Workers Struggle for their Rights / Alexandra Kollontai, 1973
La femme nouvelle et la classe ouvrière / Alexandra Kollontai, 1932
L'ouvrière et la paysanne dans la République Soviétique / Alexandra Kollontai, 1921
La famille et l'Etat Communiste / Alexandra Kollontai, 1921