De wereld is door en door ingericht op het model van twee heteroseksuele ouders met kinderen. Dat kerngezin is niet alleen een hardnekkig cultureel ideaal, het is ook het verhaal waaraan we onszelf meten: de maatstaf voor een geslaagd, stabiel leven. Het kent mannen en vrouwen duidelijke rollen toe, levert maatschappelijk aanzien op, en geldt nog altijd als de beste omgeving om kinderen in op te laten groeien. Opmerkelijk genoeg houdt dit beeld stand, ook al schiet het voor velen tekort: het is voor sommigen een bron van frustratie over ongelijk verdeelde zorgtaken, voor anderen zelfs een plek waar fysiek of psychisch geweld plaatsvindt. Het droombeeld heeft nauwelijks aan kracht ingeboet, ondanks de toename van het aantal alleenstaanden, scheidingen, nieuw samengestelde en queer gezinnen.
Houwink ten Cate laat zien dat het kerngezin geen bewuste keuze is, maar een sociale norm. Wie niet aan deze norm voldoet, wordt al snel gezien als afwijkend, mislukt of "gebroken". In een maatschappij die het kerngezin als superieure leefvorm beschouwt, wordt het geen kinderen hebben, alleenstaand ouderschap of een leven zonder partner al snel gelezen als een gemis, of zelfs als falen.
De mythe van het gezin ontleedt hoe ons idee van het kerngezin geen tijdloos gegeven is, maar een construct met een zeer recente geschiedenis. Hoewel we het vandaag beschouwen als vanzelfsprekend, is de hedendaagse invulling van het kerngezin bovenal het gevolg van recente economische en sociale omwentelingen en de erfenis van een kleinburgerlijke christelijke moraal. Het kerngezin is als concept echter zo ingesleten dat het niet voelt als deel van een wereldbeeld of als een politiek idee, maar een privékwestie lijkt.
Met de industrialisering in de vroege 19de eeuw verdwenen de intergenerationele woon- en leefvormen die tot dan toe normaal waren. Het samenleven onder één dak met verschillende generaties die elkaar wederzijds ondersteunen, ruimde plaats voor het kerngezin waar vrouwen alleen voor de zorg van kinderen instonden en geïsoleerd raakten. Hoewel vrouwen en kinderen van de arbeidersklasse aanvankelijk noodgedwongen mee werkten in fabrieken om in het levensonderhoud te voorzien, werd vrouwenarbeid buitenshuis onder invloed van patriarchaal en moralistisch denken steeds vaker als maatschappelijk probleem gezien.
Het kostwinnersmodel, waarbij de man buitenshuis werkt en de vrouw thuis onbetaalde zorg- en huishoudelijke arbeid verricht, dreef vrouwen eind negentiende eeuw uit de fabrieken en duwden hen het huis en financiële afhankelijkheid in. Tegelijk ontstond het ideaalbeeld van de huisvrouw: een man die zijn gezin kon onderhouden zonder dat zijn vrouw hoefde te werken, gold als een teken van welstand en aanzien. Een vrouw die thuis bleef, kreeg zo een hogere status dan een werkende vrouw, en haar echtgenoot evengoed. Het huwelijk en het moederschap kregen op die manier een nieuwe, ideologische betekenis. Ook de opbouw van de naoorlogse verzorgingsstaat bouwde voort op datzelfde model, waarbij mannen als kostwinner optraden en vrouwen verantwoordelijk waren voor zorg en huishouden.
Maar wat verklaart de onwrikbaarheid van dit model? Houwink ten Cate wijst niet enkel naar de politisering van het gezin door extreemrechts, maar ook naar de bredere sociale en politieke functie die het kerngezin vervult. Ons gezinsleven voelt dan wel persoonlijk aan, stelt ze, maar is dat allerminst: het vormt de kleinste, meest intieme bouwsteen van onze sociale organisatie.
Volgens Houwink ten Caate kunnen we niet om de collectieve dimensies van het kerngezin heen. Zolang we het gezin louter als een individuele keuze beschouwen, blijft die publieke functie onzichtbaar. Het sluit vrouwen bovendien binnenshuis op in een eindeloze individuele strijd om mannen te overtuigen meer zorgtaken op zich te nemen.
Zonder erkenning van die politieke dimensie, ontstaan er ook geen politieke strategieën die het kerngezin vrijer maken en vrouwen bevrijden van de ongelijke taakverdeling waarin het kerngezin hen klemt. Enkel zo kunnen we politieke eisen stellen die van verzorging een meer collectieve verantwoordelijkheid maken.
In het hoofdstuk "Moeder zonder man" brengt de auteur in kaart hoe verschillende feministische stromingen doorheen de tijd zich verhielden tot het vraagstuk van het moederschap. Houwink ten Cate legt bloot hoe het doorbreken van het taboe op de zware kanten van het moederschap in bepaalde kringen doorsloeg naar een negatieve houding tegenover moederschap en kinderen. De BOM-beweging van bewust ongehuwde moeders in de jaren 1970 koos dan weer bewust voor het alleenstaand moederschap, vaak vanuit een expliciete afwijzing van het kerngezin.
Ook het bredere maatschappelijke discours rond moederschap komt aan bod. De "moederschapsideologie" maakt van moederschap een allesomvattende identiteit die vraagt om een extreme mate van opoffering. Vandaag wordt die moedercultus nog versterkt via sociale media, waar momfluencers geld verdienen aan een zorgvuldig geënsceneerd moederschap, doorspekt van commercieel spiritualisme over "de vrouwelijke natuur". De uitdaging voor het hedendaagse feminisme is om moederschap te bevrijden uit de spanning tussen de kritische blik van het tweedegolffeminisme en deze nieuwe vormen van moederverheerlijking.
Het klassieke argument luidt dat het kerngezin de beste plek is om een kind groot te brengen. Maar volgens Houwink ten Cate maakt het kerngezin kinderen net volledig afhankelijk van hun ouders, zowel emotioneel als economisch. En daar wringt het schoentje: onvoldoende bestaanszekerheid en groeiende economische onzekerheid liggen wereldwijd mee aan de basis van dalende geboortecijfers. Een kind krijgen wordt steeds meer een privilege in plaats van een vanzelfsprekendheid. Ook het beleid schiet hier tekort: overheden presenteren het gezin graag als hoeksteen van de samenleving, maar investeren onvoldoende in goede levensomstandigheden voor élk kind. Terwijl kinderen onmisbaar zijn voor het voortbestaan van de samenleving, verslechteren de voorwaarden om ze te krijgen en op te voeden en wordt de zorg voor de volgende generatie steeds meer bij individuele gezinnen gelegd.
Houwink ten Cate sluit haar boek dan ook af met een prikkelende vraag: wat als het kerngezin net deel is van het probleem? Het kerngezin is een financieel steeds moeilijker haalbaar ideaal, dat ouders dwingt al hun economische en emotionele energie op het eigen gezin te richten. Dit gaat ten koste van tijd en ruimte voor bredere sociale contacten, met wijdverspreide eenzaamheid tot gevolg. Wie het kerngezin achter zich laat, blijft immers vaak alleen achter, simpelweg omdat er nog te weinig volwaardige alternatieven bestaan.
Zolang het gezin de enige garantie op zorg blijft, drijft dat mensen naar geïsoleerde gezinsvormen die weinig bevredigend of zelfs schadelijk kunnen zijn. Het ontbreken van een breder sociaal netwerk rond het gezin brengt immers verschillende risico's met zich mee: sociaal isolement en eenzaamheid, minder controle van buitenaf waardoor het risico op huiselijk geweld of misbruik toeneemt, en overbelasting doordat alle zorg binnen het kerngezin moet worden opgevangen. Enkel via politieke actie (rond sociale huisvesting, kinderopvang, verlofregelingen, en de uitbreiding van rechten en privileges naar queer gezinnen en meeroudergezinnen) kan het kerngezin een minder verstikkende, minder dwingende norm worden.
Meer weten?
- RoSa thema: Gegenderde taakverdeling
- RoSa thema: Moederschap
- RoSa thema: Kinderwens
- Rolmodel: Alexandra Kollontai
- Rolmodel: Joke Smit
- Rolmodel: Anja Meulenbelt