RoSa vzw biedt elke twee weken een genderperspectief op actuele of onderbelichte thema’s. Deze week staan we stil bij de hervorming van de werkloosheidsuitkeringen, en onderzoeken we hoe vrouwen in het bijzonder getroffen worden door de beperking van de werkloosheid in de tijd.
Gepubliceerd op 29/01/2026

De federale regering besluit vanaf 1 januari 2026 de werkloosheidsuitkeringen in de tijd te beperken. Analisten omschrijven deze maatregel als één van de meest ingrijpende hervormingen van de arbeidsmarkt in decennia. Met deze ingreep wil de Arizona-regering de werkzaamheidsgraad verhogen, de werkloosheidsuitgaven terugdringen en dus besparen op het budget van de sociale zekerheid. Het gemeenschappelijk vakbondsfront betwist deze hervorming recentelijk bij het Grondwettelijk Hof en vraagt de nietigverklaring. Volgens de vakbonden is de maatregel namelijk in strijd met een aantal grondwettelijke principes, waaronder het recht op sociale zekerheid en het gelijkheidsbeginsel.
In grote lijnen houdt de hervorming in dat werkzoekenden maximaal twee jaar recht hebben op een werkloosheidsuitkering. Wie langer dan twee jaar een uitkering ontvangt, verliest deze. Vanaf 1 maart 2026 krijgt wie werkloos wordt in principe nog maar één jaar een werkloosheidsuitkering. Afhankelijk van de loopbaan kunnen daar nog maximaal twaalf bijkomende maanden bijgeteld worden.
Voor mensen die al langer dan twee jaar een uitkering ontvangen, geldt een gefaseerde overgangsregeling. Een eerste groep van meer dan 22.000 werklozen - voornamelijk jongeren en mensen met een arbeidsbeperking die al meer dan twintig jaar werkloos zijn - verloor op 1 januari 2026 hun uitkering. In totaal zullen dit jaar ongeveer 194.000 langdurig werklozen hun uitkering verliezen.
Wie geen werk vindt nadat de uitkering wegvalt, moet aankloppen bij het OCMW voor een leefloon of bij het ziekenfonds voor een ziekte-uitkering.
Onder de werkzoekenden die getroffen worden door de hervorming, tellen we 104.000 mannen en 90.000 vrouwen. Hoewel vrouwen in deze groep in de minderheid zijn, wijzen vakbonden en organisaties zoals het Federaal Instituut voor de bescherming en de bevordering van de Rechten van de Mens (FIRM) erop dat de maatregelen een disproportioneel negatieve impact hebben op vrouwen, evenals andere groepen die achtergesteld worden op de arbeidsmarkt, zoals mensen met een handicap en ouderen.
Om in aanmerking te komen voor een werkloosheidsuitkering moet men een minimum aantal arbeidsdagen in loondienst bewijzen. Dat is vooral nadelig voor vrouwen die doorgaans een kortere loopbaan hebben dan mannen omwille van zorgtaken. In 2025 was volgens Statbel de tewerkstellingsgraad van mannen van 20 tot 64 jaar 7,8% hoger dan die van vrouwen. Deze genderkloof op het vlak van arbeidsparticipatie wordt bovendien vergroot door het feit dat vrouwen vaker deeltijds werken dan mannen. Ook onderbreken ze vaker tijdelijk hun loopbaan. Dat vrouwen het merendeel van zorgtaken dragen is de doorslaggevende factor van deze genderverschillen in loopbaantrajecten.
Vrouwen zijn oververtegenwoordigd in deeltijdse tewerkstelling. In 2024 werkte 40,5% van de loontrekkende vrouwen deeltijds tegenover 12,8% van de loontrekkende mannen. Voor bijna een kwart van de vrouwen (24%) is de zorg voor kinderen of derden (mantelzorg) de belangrijkste reden om deeltijds te werken, terwijl dat bij mannen slechts 7,6% is. Daarnaast is er een grote groep deeltijds werkende vrouwen die liever voltijds zou werken, maar geen voltijds contract krijgt of vindt. In 2023 was 4,4% van de werkende vrouwen ondertewerkgesteld, tegenover amper 1,8% van de mannen. Vrouwen werken namelijk vaker in sectoren waar deeltijds werk de norm is, zoals de schoonmaaksector en de verkoop. Ook in andere sectoren waar vrouwen overtegenwoordigd zijn, zoals openbaar bestuur, onderwijs, gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening, zijn meer dan de helft van de contracten deeltijds.
Net als voordien, moeten zowel voltijdse als halftijdse werknemers nog steeds een minimum aantal arbeidsdagen in loondienst bewijzen om in aanmerking te komen voor een werkloosheidsuitkering. De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen vertrekt echter vanuit de voltijdse arbeid als impliciete standaard, waarbij deeltijds werk beschouwd wordt als afwijkend.
Wie ononderbroken voltijds werkt, krijgt namelijk automatisch 78 arbeidsdagen per trimester toegekend. Deeltijdse arbeid wordt daarentegen berekend in aantal verrichte arbeidsuren. Een werknemer die deeltijds werkt, bouwt echter veel trager het nodige aantal arbeidsdagen op om recht te hebben op een uitkering, omdat deeltijdse uren niet worden omgerekend naar volledige dagen. Om hetzelfde aantal dagen te bereiken als een voltijdse werknemer, moet men dus langer werken of terugkijken op een langere periode van werk.
De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen treft deeltijds werkenden dus ongelijk, en raakt daardoor vooral vrouwen. Door deeltijdse arbeid niet in arbeidsdagen maar in uren te tellen miskent de hervorming de realiteit van vrouwelijke loopbanen en vergroot het risico dat vooral vrouwen, ook op latere leeftijd, uit de sociale bescherming vallen.
Niet enkel zij die deeltijds werken, maar ook mensen die hun loopbaan tijdelijk of gedeeltelijk onderbreken, worden benadeeld in de hervorming van de werkloosheid. Ook deze groep behaalt het minimum aantal gewerkte dagen om een werkloosheidsuitkering te ontvangen immers moeilijker dan voordien.
Het ontbreekt voorlopig aan statistische gegevens over het aantal mannen en vrouwen dat voldoende beroepsverleden opbouwde om onder het nieuwe regime een werkloosheidsuitkering te ontvangen. De overgangsregels van de werkloosheidshervorming voorzien een uitzondering voor 55-plussers die tenminste 30 jaar hebben gewerkt (dit wordt geleidelijk opgetrokken tot 35 jaar in 2030). Ondanks deze uitzondering zou volgens de RVA 82% van de bijna 60.000 55-plussers toch hun uitkering verliezen omdat ze onvoldoende beroepsverleden kunnen bewijzen. In deze groep bevindt zich een onevenredig groot deel vrouwen. Volgens een studie van 2023 behaalde 66% van de mannen een loopbaan van meer dan 30 jaar, tegenover slechts 34% voor vrouwen.
Om voldoende beroepsverleden op te bouwen kunnen zowel effectief gewerkte dagen als ‘gelijkgestelde perioden’ worden meegeteld. Gelijkgestelde dagen zijn periodes waarin je niet werkt maar die wel als werkdagen beschouwd worden, bijvoorbeeld wettelijke vakantiedagen, dagen gedekt door ziekte- en invaliditeitsuitkeringen zoals moederschapsrust, dagen van arbeidsongeschiktheid, etc. Gelijkgestelde periodes werden in het leven geroepen zodat een onderbreking op de arbeidsmarkt niet noodzakelijk een negatieve invloed zou hebben op de opbouw van sociale zekerheids -en pensioenrechten.
De hervorming van de werkloosheidsuitkering telt verschillende van deze periodes die vroeger gelijkgesteld werden met arbeidsdagen niet langer mee voor de berekening van het beroepsverleden. Dagen gedekt door een ziekte -of invaliditeitsuitkering tellen nog steeds mee voor de berekening van het beroepsverleden. Daaronder vallen zowel de moederschapsrust, het geboorteverlof en het adoptieverlof als de uitkeringen aan langdurig zieken.
De periodes waarin je onderbrekingsuitkeringen ontving van de RVA tellen echter niet langer mee. Daaronder vallen onder andere het tijdskrediet (private sector), loopbaanonderbreking (publieke sector) en thematische verloven (private en publieke sector).
Vrouwen onderbreken vaker hun loopbaan en passen hun werktijd vaker aan dan mannen door gebruik te maken van tijdskrediet, thematisch verlof of loopbaanonderbreking. In juli 2025 ging het om 142.113 vrouwelijke uitkeringstrekkers (57,5%) tegenover 104.832 mannelijke (42,5%). We beperken onze analyse op de thematisch verloven en het tijdskrediet omdat de ongelijke verdeling van het verlof tussen mannen en vrouwen hier het grootst is, niet toevallig omdat deze verloven veelal worden opgenomen om zorgtaken te verrichten.
Thematische verloven omvatten ouderschapsverlof, verlof voor het verlenen van medische bijstand, verlof voor het verlenen van palliatieve zorg en verlof voor mantelzorg. In 2022 namen vrouwen bijna twee keer zo vaak ouderschapsverlof op als mannen. Mannen beperken hun arbeidstijd meestal met slechts één vijfde om voor kinderen te zorgen, terwijl vrouwen drie tot vier keer vaker voltijds of deeltijds ouderschapsverlof opnemen. Dat het ouderschapsverlof niet langer meetelt in de berekening van het beroepsverleden dreigt de ongelijkheid tussen moeders en vaders binnen het gezin te vergroten, en kan zo ook de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen opnieuw afremmen. Op samenlevingsniveau dreigt de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op het vlak van arbeid en inkomen dus toe te nemen.
Voor andere thematische verloven zien we gelijkaardige onevenredige verdelingen. Het verlof voor medische bijstand en verlof voor mantelzorg worden twee keer zoveel opgenomen door vrouwen als door mannen en het palliatief verlof drie keer zoveel.
Dat vrouwen vaker hun carrière afbouwen om zorgtaken op te nemen is niet enkel het gevolg van hardnekkige traditionele rolpatronen in de samenleving. Verlofstelsels werden immers vanaf de jaren 1990 door de overheid gepromoot als instrument om de deelname van vrouwen op de arbeidsmarkt te bevorderen. Het verminderen of onderbreken van arbeidsprestaties moest vrouwen toelaten om naast hun gezinstaken ook een betaalde baan uit te oefenen, en werk en gezin beter met elkaar in overeenstemming te brengen.
Ook tijdskrediet kan opgenomen worden om zorg te dragen voor kinderen, palliatieve zorgen, zorgen voor een zwaar ziek gezinslid, of zorgen voor een kind met een handicap. Ook hier zien we een groot genderonevenwicht. In 2022 onderbraken 9 keer meer vrouwen dan mannen hun werk voltijds om zorg te dragen. Mannen nemen daarentegen vaker tijdskrediet om het aantal gewerkte uren te verminderen in aanloop naar hun pensioen. In 2022 deed 82% van de mannen (tegenover 58% vrouwen) die tijdskrediet gebruikten dat in het landingsbaanstelsel.
Omdat vrouwen veel vaker dan mannen hun loopbaan onderbreken of verminderen om zorgtaken op te nemen, treft de hervorming van de werkloosheidsuitkering hen dus onevenredig hard. Via thematische verloven en tijdskrediet dragen vrouwen het grootste deel van de zorg voor kinderen, zieken en hulpbehoevenden, terwijl mannen deze stelsels minder vaak, en vooral minder ingrijpend, gebruiken. Doordat periodes met onderbrekingsuitkeringen niet langer meetellen voor het beroepsverleden, worden net die zorgtaken - die maatschappelijk noodzakelijk zijn en lange tijd door het beleid werden aangemoedigd - nu financieel bestraft. Het resultaat is een structurele ongelijkheid waarbij vrouwen hun zorgengagement betalen met een grotere onzekerheid in de sociale bescherming.
De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen vergroot de financiële kwetsbaarheid van vrouwen, kan hun afhankelijkheid van een eventuelepartner versterken en zal vooral een grote impact hebben op alleenstaande vrouwen die zorg(d)en.
Al bij de eigenlijke toekenning van het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen worden vrouwen benadeeld. Werkloosheidsuitkeringen hangen immers niet alleen af van het vroegere inkomen, waar vrouwen benadeeld worden door de loonkloof, maar ook van de gezinssituatie. Volgens de huidige barema's krijgt iemand met het statuut van gezinshoofd (die samenleeft met één of meer gezinsleden zonder eigen inkomen) minimum €1.773,98 per maand. Een alleenstaande krijgt €1.437,54 en een samenwonende, van wie de partner wel een inkomen heeft, €1.383,72. Onder de volledig werklozen heeft 52% van de vrouwen echter het statuut van samenwonende, tegenover slechts 41% van de mannen. Dit betekent dat een groot deel van de werkloze vrouwen structureel een lagere uitkering ontvangt dan mannen.
De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen plaatst deze afhankelijkheid nog meer onder druk. Volgens Annemie Wauman, voorzitter van de federatie van OCMW’s, zullen gezinshoofden en alleenstaanden die nu zonder werkloosheidsuitkering vallen vaak alsnog recht hebben op een leefloon. Ongeveer 45% van de werklozen wiens uitkering geschrapt wordt, zijn echter samenwonenden. Volgens Wauman komen zij niet in aanmerking voor een leefloon en vallen zij dus door de mazen van het sociaal vangnet: “Dat is al zo bij een partner met een bescheiden inkomen van €1.700 per maand”, waarschuwt Wauman. Veel samenwonende vrouwen dreigen dus hun werkloosheidsuitkering te verliezen, financieel kwetsbaar te worden en volledig afhankelijk te blijven van hun partner, zonder vangnet om hun zelfstandigheid te waarborgen.
Internationaal onderzoek illustreert ook de langetermijngevolgen van verkorte werkloosheidsuitkeringen. Volgens een studie naar de inperking van de werkloosheidsuitkering in Zwitserland in 2011 bracht de verkorting van de uitkeringsduur een hoger armoederisico met zich mee. Dat risico steeg bij alleenstaanden met 9%. Volgens dit Zwitsers onderzoek creëerde de stress die gepaard ging met de inperking van de werkloosheidsuitkering ook een grotere groep alleenstaanden, waarbij het echtscheidingsrisico bij de laagste inkomens toenam met 58%. Wanneer de vrouwelijke hoofdkostwinner werkloos wordt en moet terugvallen op een verkorte uitkering, stijgt het echtscheidingsrisico zelfs tot 78%, wat aantoont dat partners vaak niet bereid zijn inkomensverlies te compenseren of financiële steun te bieden.
Vrouwen, en in het bijzonder samenwonenden, lopen dus een hoger risico op inkomensverlies, armoede en afhankelijkheid van hun partner. Door lagere uitkeringen, het het schorsen van werkloosheidsvergoedingen en de stress van verkorte uitkeringsperiodes, worden vrouwen financieel kwetsbaarder en wordt hun zelfstandigheid op lange termijn ondermijnd.
De gecumuleerde impact van de hervorming versterkt bestaande gegenderde ongelijkheden en vergroot het risico dat steeds meer vrouwen buiten het sociaal vangnet vallen. In essentie gaat de hervorming immers over wie toegang heeft tot de sociale zekerheid. Vrouwen, door hun grotere zorglast en vaker onderbroken of deeltijdse loopbanen, worden door de hervorming vaker uitgesloten.
Eerste werklozen verliezen uitkering: vindt een derde werk? En wie heeft recht op een leefloon? (De Standaard, 01/01/2026)
Beperking werkloosheid treft mannen, kortgeschoolden, Walen en Brusselaars het hardst (De Tijd+, 27/12/2025)
Vaak laaggeschoold en meestal Belg: wie zijn de 194.000 werklozen die binnenkort hun uitkering verliezen? (De Standaard+, 25/12/2025)
Vakbonden trekken naar Grondwettelijk Hof tegen hervorming werkloosheid: ‘Schendt het recht op een menswaardig bestaan’ (De Morgen, 29/10/2025)
Meer dan 80 procent van werkloze 55-plussers dreigt uitkering te verliezen (VRT NWS 08/06/2025)
RoSa thema: Arbeid & gender
RoSa thema: Arbeidsparticipatie
RoSa thema: Arbeidsdiscriminatie
RoSa thema: Arbeid en zorg
Pers:pectief 09/10/2025: Vermogenskloof
Pers:pectief 18/04/2024: Arbeid en zorg
Vrouwen in kwetsbare situaties op de arbeidsmarkt: goede praktijken voor een betere inclusie / Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, 2025
Career And Family: Women’s Century-Long Journey Toward Equity / Claudia Goldin, 2023
Een verborgen genderkloof: de rol van deeltijds werk in de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen en mannen / Ines Penders, Romy Debroey & Sarah Vansteenkiste, 2023
De genderdimensie van verschillende soorten verlof in België: ouderschapsverlof, verlof voor medische bijstand, palliatief verlof, verlof voor mantelzorg, tijdskrediet en loopbaanonderbreking / Instituut voor de gelijkheid voor vrouwen en mannen, 2023
Waarom vrouwen minder werken dan mannen (en dat ook jouw probleem is) / Liesbeth Staats, 2021
Heading Home: Motherhood, Work And The Failed Promise Of Equality / Shani Orgad, 2019